Samenvatting medische kennis blok 4 – Psychiatrie
Week 14. Inleiding in de psychiatrie
Zelfmanagement: vaardigheden die iemand van zichzelf inzet om met zijn
gezondheidsproblemen om te gaan en zo snel mogelijk weer zelfstandig te kunnen functioneren.
Om dit te kunnen hebben moet de patiënt in staat zijn informatie over eigen gezondheid te
verkrijgen, te begrijpen en toe te passen op een manier die bijdraagt aan een betere gezondheid
van zichzelf en anderen.
Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben meer moeite om hun weg te vinden
binnen de zorg, geletterdheid speelt hier ook een belangrijke rol in.
Belangrijke aanwijzingen voor beperkte gezondheidsvaardigheden:
• Laag opleidingsniveau (tot mbo-niveau 1)
• Minder dan tien jaar onderwijs in het land van herkomst
• Hoge leeftijd
• Moeite met vertellen van een chronologisch verhaal
• Neiging tot vermijden van lees- en schrijfsituaties
• Ongemakkelijk/boos worden als er teveel vragen worden gesteld
• Te laat/op een verkeerde dag komen
• Ongezonde leefstijl
• Onverschilligheid
• Gebrekkige motivatie
Shared decision making (samen keuzes maken) is belangrijk bij het bevorderen van
zelfmanagement.
Het belangrijkste doel is daarbij het verhogen van de self-efficacy (zelfeffectiviteit).
Hiermee draagt zelfmanagement bij aan een positievere houding tegenover symptomen,
behandeling en kwaliteit van leven.
Wanneer is iets psychiatrisch?
1. Statistische (ab)normaliteit
Zowel een hoge als een lage intelligentie is abnormaal, maar heeft iedereen die bij deze
uitersten hoort een stoornis?
2. Psychosociale (ab)normaliteit
Afwijken van de norm in de maatschappij, normaal of abnormaal?
3. Persoonlijke (ab)normaliteit
➔ De subjectieve ervaring (kans op misperceptie & overdrijving)
Persoonlijk lijden, niet functioneren → lijden
Onvoorspelbaarheid en controleverlies→ onvermogen
Gedrag dat ongemakkelijk doet voelen/overtreden morele normen → significant
toegenomen kans op (maatschappelijke) problemen.
Moderne verklaringsmodellen:
• Biopsychosociaal model: sociaal (sociaal milieu, culturele omgeving) psychologisch en
biologisch (genen, neurotransmitters).
• Het kwetsbaarheidsmodel:
• Draagkracht versus draaglast.
• Sterke versus zwakke punten.
• Coping
• Tijd (kwetsbare factoren, uitlokkende factoren, onderhoudend factoren)
, • Ontwikkelingsmodel:
• ADHD (aandacht tekort +/- druk), ASS (autisme spectrumstoornis)
Het psychiatrisch onderzoek:
• Algemene indruk -uiterlijke kenmerken, contact, spraak klachtenpresentatie, ziektebesef
en, -inzicht, lijdensdruk, intoxicatie
• Cognitieve functies -bewustzijn, aandacht, oriëntatie, intellectuele functies, geheugen,
waarneming, denken (vorm en inhoud)
• Affectieve functies -stemming, affect, affectmodulatie (affect = van korte duur, reactie op
bepaalde situatie. stemming = langdurende gemoedstoestand, niet directe reactie op
bepaalde situatie)
• Conatieve functies –psychomotoriek (miniek, gestiek, spraak), kenmerken
persoonlijkheid, wilsbekwaamheid, niveau van psychosociaal functioneren.
(psychomotoriek: bewegingen, mimiek, gestiek, spraak)
Doel: de structuurdiagnose
• De DSM geeft een classificatie, soms syndroomdiagnose genoemd. Volgt vaak uit het
Psychiatrisch Onderzoek.
• De precieze diagnose volgt pas uit:
o Informatie uit de drie milieus: wonen, werk, sociaal
o Anamnese, heteroanamnese, ontwikkelingsanamnese
o Andere informatie (somatisch, cultuur, persoonlijkheid)
• De structuurdiagnose is een ‘’narratief’’, een verhaal achteraf.
Niet uit te drukken in getallen (zoals bij RR, DM etc.) en ook niet experimenteel te toetsen (vgl.
evolutieleer). Het kwetsbaarheidsmodel: draagkracht, draaglast, coping, sterke en zwakke
punten, speelt een belangrijke rol.
Herstel ondersteunende zorg:
Naast klinisch herstel is er ook aandacht voor; functioneel-, maatschappelijk- en persoonlijk
herstel.
,Week 15. Stemmingsstoornissen
Stemmingsstoornissen: langer durende ontregelingen van de gemoedstoestand.
Volgens de DSM-5 worden stemmingsstoornissen geclassificeerd in acht categorieën van de
depressieve stemmingsstoornissen en in zeven categorieën van de bipolaire
stemmingsstoornissen.
Binnen deze categorieën kunnen stemmingsstoornissen nog worden gespecificeerd naar ernst,
beloop en het al of niet voorkomen van bepaalde symptomen.
Verschillende stemmingsstoornissen:
• Depressie
• Bipolaire stoornissen
- Type 1: manische episodes
- Type 2: hypomanische episodes (kunnen nog functioneren)
• Schizo-affectieve stoornis: iemand met depressieve en psychotische klachten.
• Cyclothyme stoornis: iemand is continu periodes depressief en hypomaan.
• Dysthymie: iemand is continu met periodes depressief.
Ziektebeeld: Depressieve stoornis
Depressie: klinisch syndroom dat een gevoel van apathie, somberheid en een gevoel van lage
eigenwaarde kan veroorzaken. De psychologische symptomen kunnen samen gaan met
lichamelijke symptomen.
Postnatale depressie: begin tijdens de zwangerschap tot weken/maanden na de bevalling.
Voorop staat het niet kunnen genieten en houden van de baby met vaak grote schuldgevoelens
hierover. Kan samengaan met wanen (peri-partumpsychose).
- Baby kan gevaar lopen.
- Moeder en kind worden vaak samen opgenomen.
- Prognose is goed maar kans dat het terugkomt is groot (50%).
Depressie bij ouderen:
- Lichamelijke klachten op de voorgrond (hoofdpijn, buikpijn).
- Niet altijd een duidelijk sombere stemming of verlies van interesse of plezier.
- Stemming eerder mat, afgevlakt of gelaten.
- Vergeetachtigheid, concentratieproblemen, verwardheid.
Er zijn veel depressieve ouderen die ten onrechte als dement worden beschouwd en
daardoor niet goed behandeld worden.
Demente ouderen met een depressie kunnen goed behandeld worden.
Depressie bij kinderen en jongeren:
- Gedragsveranderingen: terugtrekken of juist acting out.
- Kinderen basisschool: ca. 2% vertoont depressieve kenmerken.
- Jongeren middelbare school: ca. 5%, meer meisjes dan jongens.
- Wat is depressie, wat is puberteit ?
- Suïcide is de meest voorkomende doodsoorzaak bij pubers.
- Antidepressiva bij jongeren omstreden, maar worden soms al gegeven vanaf acht jaar
oud, en vaak met succes.
, Voorkomen van een depressie:
• 1 op 5 vrouwen en 1 op 10 mannen minimaal 1 keer depressief.
• Ouderen verpleegtehuis: ‘subklinische depressies’ 14-40%.
• Meer bij mensen uit lagere sociaaleconomische klasse.
• Meer bij alleenstaanden, vooral na wegvallen partner.
• Grote kans op recidive depressie:
Na 1e keer depressief: 40% kans op 2e episode
Na 2e keer depressief: 80% kans op 3e episode
Na 3e keer of vaker: bijna 100% kans nieuwe episode
• 15% van de patiënten is chronisch depressief.
Diagnostiek depressie:
o Huisarts: herkent in 50% van de gevallen depressie niet.
o Depressieve stemming gaat schuil achter andere lichamelijke klachten: zoals pijn,
slapeloosheid, vermoeidheid, vermagering = gemaskeerde depressie
Wanneer moet je aan een depressie denken:
o Klacht over sombere stemming, maakt sombere indruk.
o Monotone spraak en trage motoriek.
o Frequent doktersbezoek met wisselende klachten.
o Klachten van nervositeit of slapeloosheid.
o Aanhoudende moeheid of pijn zonder lichamelijke oorzaak.
o Verzoek om slaap- of kalmeermiddelen.
o Alcohol en drugsproblemen.
o Angst en paniekstoornissen.
Risicogroepen (onder anderen):
o Patiënten met ernstige lichamelijke ziekte.
o Patiënten met ernstige depressie(s) of suïcidepoging(en) in het verleden.
o Patiënten met (eerstegraads) familieleden met ernstige depressie(s) of suïcidepoging(en).
Symptomen (minimaal 2 weken): sombere stemming, lusteloosheid, slechte concentratie,
geheugenstoornis, slecht slapen, ongezonde leefstijl (vitale kenmerken), inactiviteit,
zelfverwaarlozing, veel piekeren, angst, paniekklachten en gedachten aan de dood.
Risicofactoren: verliessituaties, alcohol-/middelengebruik, onderliggende lichamelijke
ziekte, chronische stress, sociaal isolement, bepaalde beroepen en pensionering.
Jaarlijks overlijden ongeveer 1800 Nederlanders door suïcide, in 70 % van de gevallen is er sprake
van een depressieve stoornis.
Diagnostiek: anamnese, lichamelijke klachten, bloed- en urineafname en meetinstrumenten.
Behandeling: individueel zorgplan, cognitieve therapie, psychosociale interventies en
interpersoonlijke therapie, mindfulness & farmacotherapie.
Week 14. Inleiding in de psychiatrie
Zelfmanagement: vaardigheden die iemand van zichzelf inzet om met zijn
gezondheidsproblemen om te gaan en zo snel mogelijk weer zelfstandig te kunnen functioneren.
Om dit te kunnen hebben moet de patiënt in staat zijn informatie over eigen gezondheid te
verkrijgen, te begrijpen en toe te passen op een manier die bijdraagt aan een betere gezondheid
van zichzelf en anderen.
Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben meer moeite om hun weg te vinden
binnen de zorg, geletterdheid speelt hier ook een belangrijke rol in.
Belangrijke aanwijzingen voor beperkte gezondheidsvaardigheden:
• Laag opleidingsniveau (tot mbo-niveau 1)
• Minder dan tien jaar onderwijs in het land van herkomst
• Hoge leeftijd
• Moeite met vertellen van een chronologisch verhaal
• Neiging tot vermijden van lees- en schrijfsituaties
• Ongemakkelijk/boos worden als er teveel vragen worden gesteld
• Te laat/op een verkeerde dag komen
• Ongezonde leefstijl
• Onverschilligheid
• Gebrekkige motivatie
Shared decision making (samen keuzes maken) is belangrijk bij het bevorderen van
zelfmanagement.
Het belangrijkste doel is daarbij het verhogen van de self-efficacy (zelfeffectiviteit).
Hiermee draagt zelfmanagement bij aan een positievere houding tegenover symptomen,
behandeling en kwaliteit van leven.
Wanneer is iets psychiatrisch?
1. Statistische (ab)normaliteit
Zowel een hoge als een lage intelligentie is abnormaal, maar heeft iedereen die bij deze
uitersten hoort een stoornis?
2. Psychosociale (ab)normaliteit
Afwijken van de norm in de maatschappij, normaal of abnormaal?
3. Persoonlijke (ab)normaliteit
➔ De subjectieve ervaring (kans op misperceptie & overdrijving)
Persoonlijk lijden, niet functioneren → lijden
Onvoorspelbaarheid en controleverlies→ onvermogen
Gedrag dat ongemakkelijk doet voelen/overtreden morele normen → significant
toegenomen kans op (maatschappelijke) problemen.
Moderne verklaringsmodellen:
• Biopsychosociaal model: sociaal (sociaal milieu, culturele omgeving) psychologisch en
biologisch (genen, neurotransmitters).
• Het kwetsbaarheidsmodel:
• Draagkracht versus draaglast.
• Sterke versus zwakke punten.
• Coping
• Tijd (kwetsbare factoren, uitlokkende factoren, onderhoudend factoren)
, • Ontwikkelingsmodel:
• ADHD (aandacht tekort +/- druk), ASS (autisme spectrumstoornis)
Het psychiatrisch onderzoek:
• Algemene indruk -uiterlijke kenmerken, contact, spraak klachtenpresentatie, ziektebesef
en, -inzicht, lijdensdruk, intoxicatie
• Cognitieve functies -bewustzijn, aandacht, oriëntatie, intellectuele functies, geheugen,
waarneming, denken (vorm en inhoud)
• Affectieve functies -stemming, affect, affectmodulatie (affect = van korte duur, reactie op
bepaalde situatie. stemming = langdurende gemoedstoestand, niet directe reactie op
bepaalde situatie)
• Conatieve functies –psychomotoriek (miniek, gestiek, spraak), kenmerken
persoonlijkheid, wilsbekwaamheid, niveau van psychosociaal functioneren.
(psychomotoriek: bewegingen, mimiek, gestiek, spraak)
Doel: de structuurdiagnose
• De DSM geeft een classificatie, soms syndroomdiagnose genoemd. Volgt vaak uit het
Psychiatrisch Onderzoek.
• De precieze diagnose volgt pas uit:
o Informatie uit de drie milieus: wonen, werk, sociaal
o Anamnese, heteroanamnese, ontwikkelingsanamnese
o Andere informatie (somatisch, cultuur, persoonlijkheid)
• De structuurdiagnose is een ‘’narratief’’, een verhaal achteraf.
Niet uit te drukken in getallen (zoals bij RR, DM etc.) en ook niet experimenteel te toetsen (vgl.
evolutieleer). Het kwetsbaarheidsmodel: draagkracht, draaglast, coping, sterke en zwakke
punten, speelt een belangrijke rol.
Herstel ondersteunende zorg:
Naast klinisch herstel is er ook aandacht voor; functioneel-, maatschappelijk- en persoonlijk
herstel.
,Week 15. Stemmingsstoornissen
Stemmingsstoornissen: langer durende ontregelingen van de gemoedstoestand.
Volgens de DSM-5 worden stemmingsstoornissen geclassificeerd in acht categorieën van de
depressieve stemmingsstoornissen en in zeven categorieën van de bipolaire
stemmingsstoornissen.
Binnen deze categorieën kunnen stemmingsstoornissen nog worden gespecificeerd naar ernst,
beloop en het al of niet voorkomen van bepaalde symptomen.
Verschillende stemmingsstoornissen:
• Depressie
• Bipolaire stoornissen
- Type 1: manische episodes
- Type 2: hypomanische episodes (kunnen nog functioneren)
• Schizo-affectieve stoornis: iemand met depressieve en psychotische klachten.
• Cyclothyme stoornis: iemand is continu periodes depressief en hypomaan.
• Dysthymie: iemand is continu met periodes depressief.
Ziektebeeld: Depressieve stoornis
Depressie: klinisch syndroom dat een gevoel van apathie, somberheid en een gevoel van lage
eigenwaarde kan veroorzaken. De psychologische symptomen kunnen samen gaan met
lichamelijke symptomen.
Postnatale depressie: begin tijdens de zwangerschap tot weken/maanden na de bevalling.
Voorop staat het niet kunnen genieten en houden van de baby met vaak grote schuldgevoelens
hierover. Kan samengaan met wanen (peri-partumpsychose).
- Baby kan gevaar lopen.
- Moeder en kind worden vaak samen opgenomen.
- Prognose is goed maar kans dat het terugkomt is groot (50%).
Depressie bij ouderen:
- Lichamelijke klachten op de voorgrond (hoofdpijn, buikpijn).
- Niet altijd een duidelijk sombere stemming of verlies van interesse of plezier.
- Stemming eerder mat, afgevlakt of gelaten.
- Vergeetachtigheid, concentratieproblemen, verwardheid.
Er zijn veel depressieve ouderen die ten onrechte als dement worden beschouwd en
daardoor niet goed behandeld worden.
Demente ouderen met een depressie kunnen goed behandeld worden.
Depressie bij kinderen en jongeren:
- Gedragsveranderingen: terugtrekken of juist acting out.
- Kinderen basisschool: ca. 2% vertoont depressieve kenmerken.
- Jongeren middelbare school: ca. 5%, meer meisjes dan jongens.
- Wat is depressie, wat is puberteit ?
- Suïcide is de meest voorkomende doodsoorzaak bij pubers.
- Antidepressiva bij jongeren omstreden, maar worden soms al gegeven vanaf acht jaar
oud, en vaak met succes.
, Voorkomen van een depressie:
• 1 op 5 vrouwen en 1 op 10 mannen minimaal 1 keer depressief.
• Ouderen verpleegtehuis: ‘subklinische depressies’ 14-40%.
• Meer bij mensen uit lagere sociaaleconomische klasse.
• Meer bij alleenstaanden, vooral na wegvallen partner.
• Grote kans op recidive depressie:
Na 1e keer depressief: 40% kans op 2e episode
Na 2e keer depressief: 80% kans op 3e episode
Na 3e keer of vaker: bijna 100% kans nieuwe episode
• 15% van de patiënten is chronisch depressief.
Diagnostiek depressie:
o Huisarts: herkent in 50% van de gevallen depressie niet.
o Depressieve stemming gaat schuil achter andere lichamelijke klachten: zoals pijn,
slapeloosheid, vermoeidheid, vermagering = gemaskeerde depressie
Wanneer moet je aan een depressie denken:
o Klacht over sombere stemming, maakt sombere indruk.
o Monotone spraak en trage motoriek.
o Frequent doktersbezoek met wisselende klachten.
o Klachten van nervositeit of slapeloosheid.
o Aanhoudende moeheid of pijn zonder lichamelijke oorzaak.
o Verzoek om slaap- of kalmeermiddelen.
o Alcohol en drugsproblemen.
o Angst en paniekstoornissen.
Risicogroepen (onder anderen):
o Patiënten met ernstige lichamelijke ziekte.
o Patiënten met ernstige depressie(s) of suïcidepoging(en) in het verleden.
o Patiënten met (eerstegraads) familieleden met ernstige depressie(s) of suïcidepoging(en).
Symptomen (minimaal 2 weken): sombere stemming, lusteloosheid, slechte concentratie,
geheugenstoornis, slecht slapen, ongezonde leefstijl (vitale kenmerken), inactiviteit,
zelfverwaarlozing, veel piekeren, angst, paniekklachten en gedachten aan de dood.
Risicofactoren: verliessituaties, alcohol-/middelengebruik, onderliggende lichamelijke
ziekte, chronische stress, sociaal isolement, bepaalde beroepen en pensionering.
Jaarlijks overlijden ongeveer 1800 Nederlanders door suïcide, in 70 % van de gevallen is er sprake
van een depressieve stoornis.
Diagnostiek: anamnese, lichamelijke klachten, bloed- en urineafname en meetinstrumenten.
Behandeling: individueel zorgplan, cognitieve therapie, psychosociale interventies en
interpersoonlijke therapie, mindfulness & farmacotherapie.