Oefentoets blok 2.1 overige colleges antwoorden
Onderzoek.
Noem de 5 stappen van EBP:
1. ask – vraag
2. acquire of access – toegang krijgen
3. appraise – kritisch beoordelen bewijs
4. apply – toepassen
5. audit of act – controle en monitoring van handelen.
Appraise is belangrijk bij onderzoek, dit bestaat uit 3 belangrijke vragen, noem deze:
1. zijn de resultaten geldig (<10 jaar)
2. zijn de resultaten/het onderzoek belangrijk?
3. kan ik het toepassen bij mijn studie.
Noem de 5 selectie criteria.
1. onderwerp
2. vraagstelling.
3. praktijk.
4. resultaten
5. soort onderzoek
Noem de 2 onderzoeksstrategieën.
- Kwantitatief
- Kwalitatief
Wat is interne validiteit: klopt het onderzoek
Externe validiteit: hoe geldig zijn de conclusies voor anderen
Begripsvaliditeit: is er gemeten wat men wilde weten.
SRV agressie.
Agressie: uitting van emoties, natuurlijke reactie op bedreiging van het veilige gevoel.
Noem 3 soorten agressie.
1. frustratie agressie
2. instrumentale agressie
3. explosieve agressie
Nabijheid is: de afstand tussen mensen in gesprek.
Vertel welke afstand bij welke zone hoort.
Sociale zone: 1.5-3.0m
Publieke zone: 3.0-xx m
Intieme zone: 0-0.5m
Persoonlijke zone: 0.5-1.5m
5 stappen van het attributie model.
1. normschending
,2. verontwaardiging
3. attributie
4. communicatie
5. resultaat/conflict/oplossing
Vertel iets over frustratie agressie: komt door gevoelens en oplopende emoties, verminderd controle
over gedrag.
Vertel iets over explosieve agressie: te hoge emotie zorgt ervoor dat mensen niet voor rede vatbaar
zijn. Gaat uit van handelen.
Vertel iets over instrumentale agressie: doelgericht, bewust ingezet van uit gedachten en
persoonsgericht.
Vertel de fasen van crisisontwikkelingsmodel.
Fase 0: ontspanning/rust
1 start van spanning
2: grens overschreden, verbale agressie
3: controle verloren, gevaarlijke situatie fysiek
4: rust, restschade schuld en letsel in elk opzicht.
Verklaringsmodellen.
Drift-instinct theorie: aangeboren, af en toe ontladen want anders ontploffen.
Frustratie agressie: gevolg van frustratie.
Leer/theoretisch model: gedrag is aangeleerd.
Territorium leer: het bewaken en verleggen van grenzen van je territorium naar buiten.
Attributie theorie: door wederzijdse afhankelijkheid en opvattingen waarin normen en interpretaties
centraal staan.
Noem 4 communicatie technieken.
1. confronteren
2. consequenties benoemen
3. de-escaleren
4. gedragsinstructies
Noem 4 stressreacties.
1. snelle hartslag
2. spieren aanspannen
3. snelle ademhaling
4. alertheid
CCE: centra voor consult en expertise
Intro acute zorg.
Acute zorg: keten zorg.
Noem maximaal 6 teams/personen binnen de acute zorg.
- Spoedeisende hulp
- Huisarts
- Huisartsenpost
, - Meldkamer
- Verloskundigen
- Ambulance/trauma helikopter
Wat is de hoofdregel van acute zorg: geen uitstel, patiënt moet binnen 45 min juiste zorg krijgen.
Klinisch redeneren ademhaling.
Ademhaling wordt geregeld door:
1. hersenstam
2. prikkels vanuit longen en borstkas
3. chemoreceptoren in aorta en halsslagader.
4 hulpspieren van de ademhaling.
1. middenrifspieren
2. buikspieren
3. tussenribspieren
4. supraclaviculaire spieren
Wat is normale ademfrequentie: 12-15x per minuut
Wat is normale ademinhoudt per teug: 400-500ml
Bradypnoe: vertraagde ademhaling.
2 oorzaken bradypnoe.
1. cerebrale processen
2 hypothermie
Tachypnoe: versnelde ademhaling
4 oorzaken.
1. infectie ziekten
2. circulatie stoornissen
4. respiratie stoornissen
4. nerveuze/psychische stoornissen
Kussmaul-ademhaling: diepe, regelmatige ademhaling met hoge frequentie.
Oorzaken:
1. acidose
2. ontregelde diabetes
Dyspnoe: kortademigheid
4 oorzaken.
1. luchtweg
2. vasculair
3. interstitium/alveoli
4. borstwand/pleura
Noem 6 observaties van ademhaling.
1. beweging neusvleugels
2. frequentie
3. regelmaat
Onderzoek.
Noem de 5 stappen van EBP:
1. ask – vraag
2. acquire of access – toegang krijgen
3. appraise – kritisch beoordelen bewijs
4. apply – toepassen
5. audit of act – controle en monitoring van handelen.
Appraise is belangrijk bij onderzoek, dit bestaat uit 3 belangrijke vragen, noem deze:
1. zijn de resultaten geldig (<10 jaar)
2. zijn de resultaten/het onderzoek belangrijk?
3. kan ik het toepassen bij mijn studie.
Noem de 5 selectie criteria.
1. onderwerp
2. vraagstelling.
3. praktijk.
4. resultaten
5. soort onderzoek
Noem de 2 onderzoeksstrategieën.
- Kwantitatief
- Kwalitatief
Wat is interne validiteit: klopt het onderzoek
Externe validiteit: hoe geldig zijn de conclusies voor anderen
Begripsvaliditeit: is er gemeten wat men wilde weten.
SRV agressie.
Agressie: uitting van emoties, natuurlijke reactie op bedreiging van het veilige gevoel.
Noem 3 soorten agressie.
1. frustratie agressie
2. instrumentale agressie
3. explosieve agressie
Nabijheid is: de afstand tussen mensen in gesprek.
Vertel welke afstand bij welke zone hoort.
Sociale zone: 1.5-3.0m
Publieke zone: 3.0-xx m
Intieme zone: 0-0.5m
Persoonlijke zone: 0.5-1.5m
5 stappen van het attributie model.
1. normschending
,2. verontwaardiging
3. attributie
4. communicatie
5. resultaat/conflict/oplossing
Vertel iets over frustratie agressie: komt door gevoelens en oplopende emoties, verminderd controle
over gedrag.
Vertel iets over explosieve agressie: te hoge emotie zorgt ervoor dat mensen niet voor rede vatbaar
zijn. Gaat uit van handelen.
Vertel iets over instrumentale agressie: doelgericht, bewust ingezet van uit gedachten en
persoonsgericht.
Vertel de fasen van crisisontwikkelingsmodel.
Fase 0: ontspanning/rust
1 start van spanning
2: grens overschreden, verbale agressie
3: controle verloren, gevaarlijke situatie fysiek
4: rust, restschade schuld en letsel in elk opzicht.
Verklaringsmodellen.
Drift-instinct theorie: aangeboren, af en toe ontladen want anders ontploffen.
Frustratie agressie: gevolg van frustratie.
Leer/theoretisch model: gedrag is aangeleerd.
Territorium leer: het bewaken en verleggen van grenzen van je territorium naar buiten.
Attributie theorie: door wederzijdse afhankelijkheid en opvattingen waarin normen en interpretaties
centraal staan.
Noem 4 communicatie technieken.
1. confronteren
2. consequenties benoemen
3. de-escaleren
4. gedragsinstructies
Noem 4 stressreacties.
1. snelle hartslag
2. spieren aanspannen
3. snelle ademhaling
4. alertheid
CCE: centra voor consult en expertise
Intro acute zorg.
Acute zorg: keten zorg.
Noem maximaal 6 teams/personen binnen de acute zorg.
- Spoedeisende hulp
- Huisarts
- Huisartsenpost
, - Meldkamer
- Verloskundigen
- Ambulance/trauma helikopter
Wat is de hoofdregel van acute zorg: geen uitstel, patiënt moet binnen 45 min juiste zorg krijgen.
Klinisch redeneren ademhaling.
Ademhaling wordt geregeld door:
1. hersenstam
2. prikkels vanuit longen en borstkas
3. chemoreceptoren in aorta en halsslagader.
4 hulpspieren van de ademhaling.
1. middenrifspieren
2. buikspieren
3. tussenribspieren
4. supraclaviculaire spieren
Wat is normale ademfrequentie: 12-15x per minuut
Wat is normale ademinhoudt per teug: 400-500ml
Bradypnoe: vertraagde ademhaling.
2 oorzaken bradypnoe.
1. cerebrale processen
2 hypothermie
Tachypnoe: versnelde ademhaling
4 oorzaken.
1. infectie ziekten
2. circulatie stoornissen
4. respiratie stoornissen
4. nerveuze/psychische stoornissen
Kussmaul-ademhaling: diepe, regelmatige ademhaling met hoge frequentie.
Oorzaken:
1. acidose
2. ontregelde diabetes
Dyspnoe: kortademigheid
4 oorzaken.
1. luchtweg
2. vasculair
3. interstitium/alveoli
4. borstwand/pleura
Noem 6 observaties van ademhaling.
1. beweging neusvleugels
2. frequentie
3. regelmaat