Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
Biomedisch Kader
Hoofdstuk 1: celleer
1. Bouw en functie van een cel
Ons lichaam bestaat uit organen dat samen een orgaanstelsel
maken spijsverteringsstelsel, zenuwstelsel, …
Al deze stelsels hebben bepaalde organen, deze organen bestaan uit
cellen en die bestaan uit weefsels
2. Celschema
Cellen hebben een algemeen bouwplan, maar ze vertonen ook
verschillen dat komt doordat elke cel zijn eigen functie heeft en
daaraan zo goed mogelijk is aangepast
- Cellen bevatten een cytoplasma, omgeven door een celmembraan
o Het cytoplasma bestaat uit grondplasma en organellen
Het grondplasma bestaat uit gleiachtige vloeistof en verder uit een
groot aantal eiwitten, vetten, suikers & minderalen
3. Celorganellen en hun functie
In ons menselijk lichaam
De cel leeft door: voeding, zuurstof ze halen er energie uit
zit in het cytoplasma met organellen
1. Nucleolus
2. Nucleus (celkern)
3. Ribosomen
4. NIET
5. ruw endoplasmatisch reticulum
(rER)
6. Golgi-apparaat
7. Microtubulus
8. Glad endoplasmatisch reticulum
(gER)
9. Mitochondriën
10.
10.
10.
10.
10.
NIET
11. Cytoplasma
12. Lysosoom
13. Centriool
1
,Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
3.1. De celkern
De celkern bevat chromosomen
- Chromosomen zijn verantwoordelijk voor de erfelijke eigenschappen
van het organisme. Ze worden steeds gekopieerd en aan de
dochtercellen doorgegeven
- Chromosomen bestaat uit een complex van DNA
(= erfelijk materiaal) en eiwitten
Binnen de celkern bevindt zich ook de nucleolus
- De nucleolus (= kernlichaam) speelt een rol bij de aanmaak van ribosomen
In de kernmembraan bevinden zich gaatjes de kernporiën
- Via de kernporiën kunnen grote moleculen de celkern in en uit
Eukaryote cellen ≠ prokaryote cellen
- Eukaryote cellen = een cel met een celkern
- Prokaryote cellen = een cel zonder een celkern
3.2. Mitochondriën
In de cellen wordt de energie uit voedsel omgezet in ATP (= energie),
het adenosinetrifosfaat.
- Het ATP fungeert in de cel als een opgeladen accu.
- ATP moleculen worden gemaakt in de mitochondriën uit een
dubbelmembraan, grondplasma, DNA en veel enzymen die het
mogelijk maken om de energie uit voedsel om te zetten in ATP.
DUS: mitochondriën produceren ATP voor de energievoorziening in de cel.
3.3. Ribosomen en ER
Informatie uit de celkern wordt omgezet in het cytoplasma vertaald
ribosomen vertalen die informatie uit de celkern in eiwitten.
- In het cytoplasma komen de ribosomen voor als losse bolletjes
maar ook gebonden aan een systeem met membranen.
- Het membranensysteem (ER = endoplasmatisch reticulum) staat in
verbinding met andere celorganellen.
2
,Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
- Op het ruw ER liggen veel ribosomen, op het glad ER liggen weinig ribosomen.
3.4. Golgi-systeem en de lysosomen
Golgi – systeem
- Bestaat uit op elkaar gestapelde membranen waaruit door afsnoering blaasjes
kunnen ontstaan.
- In het Golgi-apparaat worden stoffen bewerkt en opgeslagen.
Lysosomen = blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken.
- Lysosomen kunnen versmelten met voedselvacuolen.
- Lysosomen kunnen hun inhoud buiten de cel afgeven via een proces
exocytose
Golgi-complex Lysosomen
3.5. Cytoskelet
Ze krijgen een vorm van bewegelijkheid door eiwitdraden die aan de celmembraan en
de celorganellen vastzitten. Deze eiwitstructuur vormen het cytoskelet ofwel celskelet.
3.6. Functies van de cellen
4. Celmembraan
De celmembraan vormt de grens tussen grondplasma en de buitenwereld. Er vindt
voortdurend uitwisseling van stoffen plaats tss grondplasma en omgeving.
- Het celmembraan houdt ook stoffen tegen die niet binnen mogen.
3
, Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
- Via het celmembraan staan cellen in contact met andere cellen
- Het celmembraan bevat:
o Eiwitten
o Dubbele fosfolipidenlaag
o Cholesterol
4.1. Dubbele fosfolipidenlaag
Alle membranen in de cel, dus ook de celmembraan, bestaan voornamelijk uit een
dubbele laag fosfolipiden.
Fosfolipiden =
Bestaan uit: een glycerolmolecule met daaraan 2 vetzuren,
een fosfaatgroep en een aminozuur (choline)
- Hydrofiel = ze trekken water aan en stoten vet af
Voorbeelden: choline en fosfaat
- Hydrofoob = ze stoten water af en trekken vet aan
Voorbeelden: vetzuren
4.2. Membraaneiwitten
= poorten van het celmembraan
Receptoreiwitten:
- Gevoelig voor specifieke extracellulaire (buiten de cel gelegen) stoffen die zich
aan eiwitten binden waardoor de activiteit van de cel wordt gewijzigd.
o Voorbeeld: door binding van insuline gaan cellen meer glucose opnemen.
Kanaaleiwitten
- Zorgen voor transport van water, ionen en andere opgeloste stoffen doorheen het
vetgedeelte van het membraan.
o Voorbeeld: verplaatsing van Ca doorheen dit kanaal nodig om spieren te
laten samentrekken en zenuwimpulsen voor te geleiden.
Dragereiwitten
- Binden zich aan opgeloste stoffen en vervoeren deze door het plasmamembraan
heen.
o Voorbeeld: brengen van Na en K in en uit de cel.
Herkenningseiwitten
- Maken aan het imuunsysteem kenbaar of de cel al dan niet lichaamseigen is en of
deze afwijkend of
gezond is.
4
Karel De Grote Hogeschool
Biomedisch Kader
Hoofdstuk 1: celleer
1. Bouw en functie van een cel
Ons lichaam bestaat uit organen dat samen een orgaanstelsel
maken spijsverteringsstelsel, zenuwstelsel, …
Al deze stelsels hebben bepaalde organen, deze organen bestaan uit
cellen en die bestaan uit weefsels
2. Celschema
Cellen hebben een algemeen bouwplan, maar ze vertonen ook
verschillen dat komt doordat elke cel zijn eigen functie heeft en
daaraan zo goed mogelijk is aangepast
- Cellen bevatten een cytoplasma, omgeven door een celmembraan
o Het cytoplasma bestaat uit grondplasma en organellen
Het grondplasma bestaat uit gleiachtige vloeistof en verder uit een
groot aantal eiwitten, vetten, suikers & minderalen
3. Celorganellen en hun functie
In ons menselijk lichaam
De cel leeft door: voeding, zuurstof ze halen er energie uit
zit in het cytoplasma met organellen
1. Nucleolus
2. Nucleus (celkern)
3. Ribosomen
4. NIET
5. ruw endoplasmatisch reticulum
(rER)
6. Golgi-apparaat
7. Microtubulus
8. Glad endoplasmatisch reticulum
(gER)
9. Mitochondriën
10.
10.
10.
10.
10.
NIET
11. Cytoplasma
12. Lysosoom
13. Centriool
1
,Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
3.1. De celkern
De celkern bevat chromosomen
- Chromosomen zijn verantwoordelijk voor de erfelijke eigenschappen
van het organisme. Ze worden steeds gekopieerd en aan de
dochtercellen doorgegeven
- Chromosomen bestaat uit een complex van DNA
(= erfelijk materiaal) en eiwitten
Binnen de celkern bevindt zich ook de nucleolus
- De nucleolus (= kernlichaam) speelt een rol bij de aanmaak van ribosomen
In de kernmembraan bevinden zich gaatjes de kernporiën
- Via de kernporiën kunnen grote moleculen de celkern in en uit
Eukaryote cellen ≠ prokaryote cellen
- Eukaryote cellen = een cel met een celkern
- Prokaryote cellen = een cel zonder een celkern
3.2. Mitochondriën
In de cellen wordt de energie uit voedsel omgezet in ATP (= energie),
het adenosinetrifosfaat.
- Het ATP fungeert in de cel als een opgeladen accu.
- ATP moleculen worden gemaakt in de mitochondriën uit een
dubbelmembraan, grondplasma, DNA en veel enzymen die het
mogelijk maken om de energie uit voedsel om te zetten in ATP.
DUS: mitochondriën produceren ATP voor de energievoorziening in de cel.
3.3. Ribosomen en ER
Informatie uit de celkern wordt omgezet in het cytoplasma vertaald
ribosomen vertalen die informatie uit de celkern in eiwitten.
- In het cytoplasma komen de ribosomen voor als losse bolletjes
maar ook gebonden aan een systeem met membranen.
- Het membranensysteem (ER = endoplasmatisch reticulum) staat in
verbinding met andere celorganellen.
2
,Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
- Op het ruw ER liggen veel ribosomen, op het glad ER liggen weinig ribosomen.
3.4. Golgi-systeem en de lysosomen
Golgi – systeem
- Bestaat uit op elkaar gestapelde membranen waaruit door afsnoering blaasjes
kunnen ontstaan.
- In het Golgi-apparaat worden stoffen bewerkt en opgeslagen.
Lysosomen = blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken.
- Lysosomen kunnen versmelten met voedselvacuolen.
- Lysosomen kunnen hun inhoud buiten de cel afgeven via een proces
exocytose
Golgi-complex Lysosomen
3.5. Cytoskelet
Ze krijgen een vorm van bewegelijkheid door eiwitdraden die aan de celmembraan en
de celorganellen vastzitten. Deze eiwitstructuur vormen het cytoskelet ofwel celskelet.
3.6. Functies van de cellen
4. Celmembraan
De celmembraan vormt de grens tussen grondplasma en de buitenwereld. Er vindt
voortdurend uitwisseling van stoffen plaats tss grondplasma en omgeving.
- Het celmembraan houdt ook stoffen tegen die niet binnen mogen.
3
, Orthopedagogie 1e jaar
Karel De Grote Hogeschool
- Via het celmembraan staan cellen in contact met andere cellen
- Het celmembraan bevat:
o Eiwitten
o Dubbele fosfolipidenlaag
o Cholesterol
4.1. Dubbele fosfolipidenlaag
Alle membranen in de cel, dus ook de celmembraan, bestaan voornamelijk uit een
dubbele laag fosfolipiden.
Fosfolipiden =
Bestaan uit: een glycerolmolecule met daaraan 2 vetzuren,
een fosfaatgroep en een aminozuur (choline)
- Hydrofiel = ze trekken water aan en stoten vet af
Voorbeelden: choline en fosfaat
- Hydrofoob = ze stoten water af en trekken vet aan
Voorbeelden: vetzuren
4.2. Membraaneiwitten
= poorten van het celmembraan
Receptoreiwitten:
- Gevoelig voor specifieke extracellulaire (buiten de cel gelegen) stoffen die zich
aan eiwitten binden waardoor de activiteit van de cel wordt gewijzigd.
o Voorbeeld: door binding van insuline gaan cellen meer glucose opnemen.
Kanaaleiwitten
- Zorgen voor transport van water, ionen en andere opgeloste stoffen doorheen het
vetgedeelte van het membraan.
o Voorbeeld: verplaatsing van Ca doorheen dit kanaal nodig om spieren te
laten samentrekken en zenuwimpulsen voor te geleiden.
Dragereiwitten
- Binden zich aan opgeloste stoffen en vervoeren deze door het plasmamembraan
heen.
o Voorbeeld: brengen van Na en K in en uit de cel.
Herkenningseiwitten
- Maken aan het imuunsysteem kenbaar of de cel al dan niet lichaamseigen is en of
deze afwijkend of
gezond is.
4