Kwalitatief onderzoek
K1 – Selecte steekproefmethoden
K2 – Selecte steekproefmethoden herkennen
K3 – SPI(C)E acroniem
K4 – Triangulatie
K5 – Coderen
Correlationeel onderzoek
C1 – Meetniveaus
C2 – Operationaliseren
C3 – Meer meetniveaus & operationaliseren
C4 – Beschrijvende statistiek
C5 – Aselecte steekproefmethoden
C6 – Validiteit en betrouwbaarheid
C7 – Soorten betrouwbaarheid en begripsvaliditeit
C8 – Correlatie vs causatie
C9 – Populatie en steekproef
C10 – Correlatie verdiepend
C11 – Correlaties in steekproeven
C12 – Statistische validiteit correlatie
C13 – De Spearman correlatie
Experimenteel onderzoek
E1 – Hypotheses opstellen
E2 – P-waarde (conceptueel)
E3 – Eén- en tweezijdige toetsen
E4 – Type I en II fouten
E5 – Power
E6 – Randomiseren
E7 – P-waarden vergelijken
,E8 – Cohen’s d
E9 – Meer hypothesetoetsen
E10 – Statistische validiteit t-toets
Integriteit en afsluiting
I1 – Gedragscode wetenschappelijke integriteit
I2 – Questionable research practices
I3 – Open science
Leesplan
L1 – Literatuur (op)zoeken en APA refereren
L2 – Leesplan: Artikel kwalitatief onderzoek
L3 – Leesplan: Artikel correlationeel onderzoek
L4 – Leesplan: Artikel experimenteel onderzoek
L5 – Leesplan: Artikel replicatie studie
2
,K1 – Selecte steekproefmethoden
In de meeste onderzoeken is de populatie (iedereen waarover je iets wilt zeggen) zo groot dat het
eigenlijk onmogelijk is om iedereen in de populatie te onderzoeken. Dat is meestal ook niet nodig:
door een deel van de populatie te onderzoeken kunnen onderzoekers begrijpen hoe het sociale
fenomeen waarin ze geïnteresseerd zijn werkt. Het deel van de populatie wat onderzocht wordt heet
de steekproef. Hiervoor willen onderzoekers subjecten uit de populatie selecteren. Het
selectieproces wordt het trekken van de steekproef genoemd.
Hoe worden mensen (in onderzoek noemen we die ook wel subjecten) voor een steekproef
geselecteerd? Globaal gezien kan dit op twee verschillende manieren:
1. De subjecten worden geheel willekeurig (op toevalsbasis) uit de populatie getrokken. In dit
geval spreken we van een aselecte steekproef.
2. Er is geen sprake van willekeur of toevalsbasis; óf de onderzoekers óf de subjecten maken
deel uit van het selectieproces. In dit geval spreken we van een selecte steekproef.
Bij een kwalitatief onderzoek is het doel om bepaalde kenmerken zo veel mogelijk in de steekproef
terug te laten komen. Dit zijn vaak kenmerken die voor het onderzoek relevant zijn. Dat wil zeggen
dat de onderzoeker de verschillende meningen/ervaringen etc. die in de populatie bestaan ook in de
steekproef terug ziet. Daarom wordt er bij kwalitatief onderzoek vaak gebruik gemaakt van een
selecte steekproef.
Gemakssteekproef
De makkelijkste optie voor het selecteren van deelnemers is om die subjecten te benaderen waar de
onderzoeker zelf de minste inspanning voor hoeft te doen. Dit noemen we een gemakssteekproef
(convenience sample). Dat kan op allerlei manieren.
Doelgerichte steekproef
In kwalitatief onderzoek is de onderzoeker vaak opzoek naar een selecte groep mensen die een
specifieke bijdrage kunnen leveren aan een beter begrip van hetgeen onderzocht wordt. In deze
situaties kan de onderzoeker ervoor kiezen een doelgerichte steekproef te gebruiken. De
onderzoeker gaat dan op zoek naar juist die mensen die aan deze specifieke voorwaarden voldoen.
Quotasteekproef
Bij een quotasteekproef stelt de onderzoeker van tevoren vast hoeveel respondenten met specifieke
kenmerken opgenomen moeten worden in de steekproef.
Sneeuwbalsteekproef
3
, Een andere selecte steekproefmethode is de sneeuwbalsteekproef. Hierbij neemt de onderzoeker
contact op met één subject (of een paar meer) in de doelpopulatie. Daarna leidt elke respondent de
onderzoeker naar één of meerdere nieuwe respondenten; de onderzoeker maakt op deze manier
gebruik van het netwerk van de respondent. Deze methode is vooral geschikt wanneer de beoogde
populatie moeilijk bereikbaar is, maar wanneer (groepen) mensen binnen deze populatie elkaar wel
kennen.
Sequentiële steekproef
In kwalitatief onderzoek wordt er vaak gebruik gemaakt van een sequentiële steekproef. Vaak leren
onderzoekers pas gedurende het onderzoek welke kenmerken belangrijk zijn om rekening mee te
houden bij het selecteren van respondenten. Bij een sequentiële steekproef worden de criteria
waaraan respondenten moeten voldoen tijdens het onderzoek aangepast. In het begin mag iedereen
uit de doelpopulatie in de steekproef worden opgenomen, later worden respondenten met
specifieke kenmerken gezocht.
K2 – Selecte steekproefmethoden
herkennen
Gebruik deze Grasple les om te oefenen met het herkennen van de benoemde steekproefmethoden
hierboven.
K3 – SPI(C)E acroniem
Een onderzoeksvraag van een kwalitatief onderzoek kan je herkennen aan de elementen van het
SPICE acroniem. De betekenis van de letters is:
- Setting: waar, in welke context?
- Perspective: voor wie?
- Interest: wat?
- Comparison: vergeleken met wat?
- Evaluation: met welk resultaat?
Het "Comparison" deel van het acroniem wordt niet altijd gebruikt. Daarom zetten we deze tussen
haakjes en krijgen we: SPI(C)E.
K4 – Triangulatie
Triangulatie is het onderzoeken van een sociaal fenomeen vanuit verschillende invalshoeken.
Triangulatie heeft als doel om de geloofwaardigheid van kwalitatieve onderzoeksresultaten te
verhogen. Door het verzamelen van gegevens met verschillende methoden of uit verschillende
bronnen kan aanvullende ondersteuning voor een theorie worden gevonden. Ook kan het er juist toe
leiden dat er tegenstrijdige resultaten worden gevonden of dat de resultaten aanleiding geven om de
voorlopige theorie aan te passen of uit te breiden.
De volgende vormen van triangulatie worden onderscheiden:
- Data triangulatie
- Onderzoeker triangulatie
4