www.laatmaarzien.noordhoff.nl © 2013 Noordhoff Uitgevers bv
Samenvatting hoofdstuk 7:
Nabeschouwen en evalueren
Nabeschouwen is 'terugblikken op de leerresultaten' van een beeldende
activiteit. Als leidraad gelden enerzijds de criteria uit het externe
referentiekader (basisplan), anderzijds die uit het interne referentiekader.
Je evalueert om te bepalen in welke mate de doelen zijn bereikt en een
waardeoordeel te kunnen geven. Een beoordeling moet de kinderen
informatie geven over de kwaliteit van het product, hun werkstuk, en het
creatieve proces dat zij hebben doorlopen. Je registreert die vorderingen,
zodat je ook collega's en ouders genuanceerd kan rapporteren. Met die
informatie kun je zelf de leerlijn controleren en bijsturen. Tot slot helpen
de gegevens bij het evalueren van jouw eigen prestaties en het reflecteren
op je professionele ontwikkeling.
De keuze voor het juiste tijdstip voor de nabeschouwing is een dilemma.
Direct na het maakproces heeft als voordeel dat bij de kinderen alles nog
vers in het geheugen ligt. Maar direct na de les hebben ze nog
onvoldoende afstand kunnen nemen en kunnen ze zich nog moeilijk
concentreren. Een tijdstip niet al te lang na de les leent zich dus het best.
De functie van nabeschouwen is voor de leerlingen vierledig:
1 bewondering, verwondering en esthetisch genoegen (rijke variëteit,
schoonheidservaring)
2 evaluatie op basis van criteria uit de oriëntatie (extern referentiekader)
3 kind als vormgevende persoon staat centraal (intern referentiekader)
4 bekritiseren, leren genuanceerd mening geven, onderbouwen met
respect (culturele waarden).
Voor een leerkracht is de nabeschouwing in minstens drie samenhangende
opzichten belangrijk:
1 beeld van de vakinhoudelijke leerprestaties van de kinderen (doelen
basisplan)
2 beeld van ontwikkeling bij de kinderen, vakinhoudelijk en in termen
van attitude
3 feedback op eigen functioneren van leerkracht.
Met uitnodigende vragen, opgesteld met behulp van het basisplan, breng je
structuur aan en laat je ze aan het woord over hun product. De vragen
gaan over:
1 genuanceerd kijken en vergelijken
2 hanteren van extern referentiekader: betekenissen, beeldaspecten en
werkproces
3 vragen naar het interne referentiekader en werkhouding/attitude
4 vragen naar originaliteit en eigenheid
5 mate van welslagen.
Samenvatting hoofdstuk 7 | 1