Artikelen Huurrecht
Week 1
J.A. Tuinman en T.Q de Booys, De coronapandemie en huur van
bedrijfsruimte: don’t believe the hype, WR 2020/48
Huurders van bedrijfsruimte doen naar aanleiding van de coronacrisis
massaal een beroep op tijdelijke huurprijsverlaging en versoepeling van de
betalingsverplichting.
- Beroepen op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW);
overmacht (art. 6:75 BW); gebrek (art. 7:204 lid 2 BW).
Gebrek (art. 7:204 lid 2 BW) = gebrek niet noodzakelijkerwijs met
fysieke eigenschappen van de zaak, maar ook iedere omstandigheid van
die genot beperkt.
- Onvoorziene overheidsmaatregelen die gebruik van verhuurde
verhinderen.
Argumenten:
1. Overheidsmaatregelen kwalificeren als feitelijke stoornis door
derde zonder bewering van recht (art. 7:204 lid 3 BW)
- Parlementaire geschiedenis directe overlast of hinder voor derden
- Ratio = huurder dient overlastveroorzaker rechtstreeks aan te
spreken.
- Overlast als gevolg van fouten van derden buiten gehuurde
- Directe hinde
- Overheidsomstandigheden niet onder aanvaarde categorie feitelijke
stoornis.
2. Coronacrisis wordt op grond van verkeersopvattingen toegerekend
aan huurder
- Vanwege toerekenbaarheid aan verhuurder, binnen risicosfeer
huurder
- HR Amicitia: coronacrisis aan huurder toegerekend, tegenvallende
bezoekersaantallen vallen onder ondernemersrisico volgens
verkeersopvattingen voor rekening huurder.
3. Geen toerekening van huurder op grond van verkeersopvatting, alsnog
op grond van huurovk
Niet toerekenbaarheid aan huurder gebruikt om ter bepaling tekortkoming
in van verhuurder.
Act of God (natuurrampen) = geen van beide partijen een verwijt kan
worden gemaakt.
Systematiek art. 7:204 lid 2 BW niet toerekenbaarheid aan huurder
uitgangspunt en toerekening de uitzondering.
Rechten huurder richting verhuurder = herstel (206),
huurprijsvermindering (207), schadevergoeding (208), ontbinding bij
geheel onmogelijk genot (210).
Week 1
J.A. Tuinman en T.Q de Booys, De coronapandemie en huur van
bedrijfsruimte: don’t believe the hype, WR 2020/48
Huurders van bedrijfsruimte doen naar aanleiding van de coronacrisis
massaal een beroep op tijdelijke huurprijsverlaging en versoepeling van de
betalingsverplichting.
- Beroepen op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW);
overmacht (art. 6:75 BW); gebrek (art. 7:204 lid 2 BW).
Gebrek (art. 7:204 lid 2 BW) = gebrek niet noodzakelijkerwijs met
fysieke eigenschappen van de zaak, maar ook iedere omstandigheid van
die genot beperkt.
- Onvoorziene overheidsmaatregelen die gebruik van verhuurde
verhinderen.
Argumenten:
1. Overheidsmaatregelen kwalificeren als feitelijke stoornis door
derde zonder bewering van recht (art. 7:204 lid 3 BW)
- Parlementaire geschiedenis directe overlast of hinder voor derden
- Ratio = huurder dient overlastveroorzaker rechtstreeks aan te
spreken.
- Overlast als gevolg van fouten van derden buiten gehuurde
- Directe hinde
- Overheidsomstandigheden niet onder aanvaarde categorie feitelijke
stoornis.
2. Coronacrisis wordt op grond van verkeersopvattingen toegerekend
aan huurder
- Vanwege toerekenbaarheid aan verhuurder, binnen risicosfeer
huurder
- HR Amicitia: coronacrisis aan huurder toegerekend, tegenvallende
bezoekersaantallen vallen onder ondernemersrisico volgens
verkeersopvattingen voor rekening huurder.
3. Geen toerekening van huurder op grond van verkeersopvatting, alsnog
op grond van huurovk
Niet toerekenbaarheid aan huurder gebruikt om ter bepaling tekortkoming
in van verhuurder.
Act of God (natuurrampen) = geen van beide partijen een verwijt kan
worden gemaakt.
Systematiek art. 7:204 lid 2 BW niet toerekenbaarheid aan huurder
uitgangspunt en toerekening de uitzondering.
Rechten huurder richting verhuurder = herstel (206),
huurprijsvermindering (207), schadevergoeding (208), ontbinding bij
geheel onmogelijk genot (210).