H12: energiebeheer
A) lichaamstemperatuur
- ieder chemisch proces is afhankelijk van de temperatuur waarbij het kan
plaatsvinden
→ het is van belang dat een organisme controle heeft over
lichaamstemperatuur
- te lage LT, laat het metabolisme sterk dalen → onderhouden van vitale
functies komt onder drang te staan
→ is wel handig om de behoefte aan energie en zuurstof te beperken
- te hoge LT, laat het metabolisme te snel werken en zorgt voor hoger
verwerkingsvermogen (koorts) → snelle uitputting van energie en
reserves door sneller laten werken van lichaam (tov ziekteverwekkers)
- optimale temperatuur is boven de omgevingstemperatuur
→ moet binnen grenzen tolereerbare temperatuur zijn
- poikilothermen = organismen met een variabele lichaamstemperatuur
waarbij de wijzigingen in temperatuur afhangen van de
omgevingstemperatuur
→ brede temperatuurrange
→ geleidelijke overgangen
→ vissen in de zee leven vaak in een stabiele thermische omgeving
doordat grote watervolumes zeer geleidelijk van temperatuur veranderen
(genoeg tijd im te acclimatiseren)
- homeothermen = organismen met constante lichaamstemperatuur of
organismen die afhankelijk zijn van de omgevingstemperatuur
→ lichaamsprocessen afgestemd om binnen nauwe temperatuurrange
door te gaan
→ anders zal lichaam stoppen met functioneren
→ eigen processen om eigen warmteproductie en warmteverlies te
regelen£
- ectothermen = organismen waarbij de omgevingstemperatuur bepalend is
voor de lichaamstemperatuur
→ kunnen zowel poikilotherm als homeotherm zijn
→ ze kunnen met plotse verandering omgaan (het zijn meestal dagdieren)
, - endothermen = organismen die in staat zijn warmte te genereren om een
voldoende hoge LT te behouden
→ 35-40 °C
→ vogels en zoogdieren
→ endothermie laat toe om op ieder moment complexe en metabool
intense functies uit te voeren ook al kost het veel energie
→ bij vrouwelijke individuen is de T afhankelijk van tijdstip in reproductieve
cyclus
→ sommige endotherme dieren kunnen grote schommelingen in T
doormaken
- heterotherm: organismen die een combinatie van een homeotherm en een
poikilotherm regime kunnen toepassen
→ tijdelijke of tijdsafhankelijke heterothermen = winterslapende zoogdieren
kunnen hun LT sterk laten zakken om energie te besparen
→ blijven wel endotherm (LT is hoger dan OT)
→ ectothermen kunnen ook tijdelijk heterotherm zijn (pythons
nemen de
warmte op van hun eigen verteringsproces door opgerold te liggen
→ regionale heterothermen = organismen die in bepaalde lichaamsdelen
hogere temperatuur kunnen aanhouden
→ verwarming orgaan bij zeil- en zwaardvissen (bij het oog) zodat
gezichtsvermogen optimaal blijft bij achtervolging van prooi
→ warmte van spiercontracties dat in de spier gehouden wordt bij
makreelachtigen en de witte haai. dit komt door de rete mirabilia
(wondernetten van slagaders)
→ counter current heat exchange: het warme bloed in de aders kan het
koude bloed aan de huid opwarmen
1) opwarmen
- endothermen staan zelf in voor eigen thermogenese
→ rillen = ongecoördineerde spiercontracties die korte tijd
aangehouden, kunnen worden en warmte geven
→ ectothermen kunnen dat niet behalve de tijgerpython
→ bij pasgeborenen, kleine knaagdieren en winterslapers is het
bruin vetweefsel een bron van thermogenese (wit vetweefsel
fungeert als energiereserve)
→ niet stockeerbare energie: minder efficient ATP gaan aanmaken,
A) lichaamstemperatuur
- ieder chemisch proces is afhankelijk van de temperatuur waarbij het kan
plaatsvinden
→ het is van belang dat een organisme controle heeft over
lichaamstemperatuur
- te lage LT, laat het metabolisme sterk dalen → onderhouden van vitale
functies komt onder drang te staan
→ is wel handig om de behoefte aan energie en zuurstof te beperken
- te hoge LT, laat het metabolisme te snel werken en zorgt voor hoger
verwerkingsvermogen (koorts) → snelle uitputting van energie en
reserves door sneller laten werken van lichaam (tov ziekteverwekkers)
- optimale temperatuur is boven de omgevingstemperatuur
→ moet binnen grenzen tolereerbare temperatuur zijn
- poikilothermen = organismen met een variabele lichaamstemperatuur
waarbij de wijzigingen in temperatuur afhangen van de
omgevingstemperatuur
→ brede temperatuurrange
→ geleidelijke overgangen
→ vissen in de zee leven vaak in een stabiele thermische omgeving
doordat grote watervolumes zeer geleidelijk van temperatuur veranderen
(genoeg tijd im te acclimatiseren)
- homeothermen = organismen met constante lichaamstemperatuur of
organismen die afhankelijk zijn van de omgevingstemperatuur
→ lichaamsprocessen afgestemd om binnen nauwe temperatuurrange
door te gaan
→ anders zal lichaam stoppen met functioneren
→ eigen processen om eigen warmteproductie en warmteverlies te
regelen£
- ectothermen = organismen waarbij de omgevingstemperatuur bepalend is
voor de lichaamstemperatuur
→ kunnen zowel poikilotherm als homeotherm zijn
→ ze kunnen met plotse verandering omgaan (het zijn meestal dagdieren)
, - endothermen = organismen die in staat zijn warmte te genereren om een
voldoende hoge LT te behouden
→ 35-40 °C
→ vogels en zoogdieren
→ endothermie laat toe om op ieder moment complexe en metabool
intense functies uit te voeren ook al kost het veel energie
→ bij vrouwelijke individuen is de T afhankelijk van tijdstip in reproductieve
cyclus
→ sommige endotherme dieren kunnen grote schommelingen in T
doormaken
- heterotherm: organismen die een combinatie van een homeotherm en een
poikilotherm regime kunnen toepassen
→ tijdelijke of tijdsafhankelijke heterothermen = winterslapende zoogdieren
kunnen hun LT sterk laten zakken om energie te besparen
→ blijven wel endotherm (LT is hoger dan OT)
→ ectothermen kunnen ook tijdelijk heterotherm zijn (pythons
nemen de
warmte op van hun eigen verteringsproces door opgerold te liggen
→ regionale heterothermen = organismen die in bepaalde lichaamsdelen
hogere temperatuur kunnen aanhouden
→ verwarming orgaan bij zeil- en zwaardvissen (bij het oog) zodat
gezichtsvermogen optimaal blijft bij achtervolging van prooi
→ warmte van spiercontracties dat in de spier gehouden wordt bij
makreelachtigen en de witte haai. dit komt door de rete mirabilia
(wondernetten van slagaders)
→ counter current heat exchange: het warme bloed in de aders kan het
koude bloed aan de huid opwarmen
1) opwarmen
- endothermen staan zelf in voor eigen thermogenese
→ rillen = ongecoördineerde spiercontracties die korte tijd
aangehouden, kunnen worden en warmte geven
→ ectothermen kunnen dat niet behalve de tijgerpython
→ bij pasgeborenen, kleine knaagdieren en winterslapers is het
bruin vetweefsel een bron van thermogenese (wit vetweefsel
fungeert als energiereserve)
→ niet stockeerbare energie: minder efficient ATP gaan aanmaken,