Vraag 1 (25 punten)
a. Op grond van welke Nederlandse wettelijke regeling(en) beoordeelt u of een
lichaam binnenlands belastingplichtig is in Nederland?
Art. 2, lid 1, van de Wet Vpb 1969 bepaalt dat de daar genoemde in Nederland gevestigde
lichamen binnenlands belastingplichtig zijn. Art. 2, lid 4, van de Wet Vpb 1969 bepaalt dat
wanneer de oprichting van een dergelijk lichaam heeft plaatsgevonden naar Nederlands
recht, deze geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd (met uitzondering voor de
toepassing van enkele regelingen). Ook lichamen die niet zijn opgericht naar Nederlands
recht, zijn binnenlands belastingplichtig indien deze in Nederland zijn gevestigd. Om te
beoordelen of deze lichamen in Nederland zijn gevestigd, bepaalt art. 4 AWR dat dit naar
omstandigheden wordt beoordeeld.
b. Welke aspecten spelen een rol bij de beoordeling of een lichaam binnenlands
belastingplichtig is in Nederland?
Allereerst dient op grond van art. 2, lid 4, Wet Vpb te worden nagegaan of de oprichting
van het lichaam naar Nederlands recht heeft plaatsgevonden. Indien dat het geval is,
wordt dit lichaam geacht in Nederland te zijn gevestigd en is het binnenlands
belastingplichtig. Verder kunnen ook lichamen die niet zijn opgericht naar Nederlands
recht, binnenlands belastingplichtig zijn indien deze aldus art. 4 AWR naar de
omstandigheden beoordeeld in Nederland zijn gevestigd. Volgens vaste rechtspraak acht
de Hoge Raad de omstandigheid waar de plaats van feitelijke, werkelijk ofwel centrale
leiding over een lichaam wordt uitgeoefend bepalend voor de vaststelling van diens
woonplaats. Voor de beoordeling van de plaats waar de feitelijke leiding over een lichaam
wordt uitgeoefend zal in beginsel worden aangeknoopt bij de plaats waar de statutaire
bestuurders samenkomen om te overleggen. Levert dit niet een eenduidig antwoord, dan
kunnen andere omstandigheden in beschouwing worden betrokken (in afnemende
betekenis), zoals de plaats waar de onderneming wordt uitgeoefend, de woonplaats van
de bestuurders, plaats waar de administratie wordt uitgeoefend, plaats van de avva en
plaats van statutaire zetel.
c. In welk land is X BV inwoner voor de toepassing van het Belastingverdrag
Nederland-België? Beschrijf hierbij welke stappen onder het
verdragswoonplaatsartikel moeten worden genomen om tot een vaststelling van
het verdragsinwonerschap te komen.
Op grond van art. 4, para. 1, Verdrag B/NL is een persoon een verdragsinwoner van een
staat indien het in die betreffende staat aldaar aan belasting is onderworpen onder meer
op grond van zijn woonplaats of enige andere soortgelijke omstandigheid. X BV is een
‘persoon’ voor de toepassing van het verdrag op grond van art. 3, para 1, sub b, Verdrag.
X BV is op grond van de oprichtingsfictie in Nederland in beginsel aan belasting
onderworpen naar zijn wereldwinst. De in art. 2, lid 4, Wet Vpb verwoorde
vestigingsplaatsfictie dient op grond van de vijfde volzin van par. 8 van het OESO
Commentaar op art. 4 OESO te worden beschouwd als ‘enige andere soortgelijke
omstandigheid’.
Page 1 of 6