NATUUR
Hoofdstuk 2. Biologische eenheid
Organisatieniveau’s van klein naar groot:
Cel orgaan organisme ecosysteem
Cel: levende eenheid (kunnen groeien en delen). Hebben voedsel nodig en scheiden afval af.
Cellen hebben organellen waardoor ze deze acties kunnen doen.
Organel: is een klein orgaan.
Celmembraan: scheiding tussen binnen- en buitenkant van een cel. Het is een dun vliesje
binnenkant van de cel, het celplasma omsluit. Zorgt dat nuttige stoffen in de cel blijven en
houdt schadelijke stoffen tegen. Celmembraan regelt het transport.
Celplasma: dikke vloeistof waarin organellen liggen.
Celkern: ligt de DNA. DNA ligt opgevouwen in chromosomen. Dit is de info voor aanleg van
eigenschappen van organisme.
Genen: zijn instructies voor wat er in een cel gebeurt. Door genen kunnen cellen
samenwerken en bijvoorbeeld organen vormen.
Mitochondrion: zorgen voor energie door brandstof om te zetten in energie voor andere
organellen.
Vacuole: blaasje gevuld met water, opslagruimte voor de cel voor het bewaren van nuttige
of schadelijke stoffen. (plantencellen hebben vaak 1 grote vacuole). Bij plantencellen zorgt
vacuole ook voor stevigheid.
Bladgroenkorrels: extra organel bij planten, zetten zonlicht om tot energie. Bladgroenkorrels
gebruiken koolzuurgas (co2) uit de lucht (en water) en zetten dit om in voedingsstoffen voor
de plant. Zonlicht levert de energie voor deze omzetting. Dit proces heet fotosynthese.
Bladgroenkorrels zorgen voor de groene kleur in de planten.
Orgaan: onderdeel van organisme. Orgaan is opgebouwd uit weefsels organen werken
samen in orgaanstelsels. Door de samenwerking van organen kunnen organismen
functioneren.
Afbeelding blz. 23.
1
,Orgaanstelsel van mens en dier:
Orgaanstelsel Taak/functie Voorbeeld organen
Bloedvatenstelsel Transport afval/nuttige Hart
stoffen door het lichaam
Ademhalingsstelsel Opname van zuurstof (o2) Longen
en afgifte koolzuur (co2)
Spijsverteringstelsel Verteren van voedsel en Maag & darmen
opnemen van nuttige
stoffen
Lever Verwerken van Lever
verschillende stoffen
Uitscheidingsstelsel Zorgen dat afvalstoffen het Nieren
lichaam verlaten
Lymfevatenstelsel Ondersteunen van het Lymfeknopen
bloedvatenstelsel en afweer
Zintuigen Opvangen van prikkels uit Oog, oor
het lichaam en de omgeving
Zenuwstelsel Doorgeven van signalen Hypofyse, bijnieren
tussen verschillende
organen
Skelet Geeft stevigheid en vorm Gewrichten
aan het lichaam en maakt
bewegen mogelijk
Spierstelsel Maakt beweging mogelijk Armspieren
Voortplantingsstelsel Voortplanting Eierstokken, teelballen
Belangrijkste orgaanstelsels bij planten:
- Voortplantingsstelsel: bloem (met stamper en meeldraden)
- Transportstelsel: vaten lopen omhoog en omlaag door stengel naar andere
onderdelen van de plant
- Ademhalingstelstel: huidmondjes op onderzijde van het blad (door mondvorm
kunnen ze sluiten als dat nodig is)
Alle organismen voeden zich, planten zich voort en overleven vijanden/verdedigen zich
tegen invloeden van de omgeving.
Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen
5 rijken van het leven / vijf groepen organismen
- Bacteriën
- Eencelligen
- Schimmels (en eencellige gisten)
- Planten
- Dieren
2
, 1. Bacteriën:
- Eén cel
- Zonder organellen
- Geen celkern, DNA ligt los in celplasma
- Planten zich voort door deling
- Bacteriën in de darmen darmflora helpen met verteren van voedsel
2. Eencelligen:
- Eén cel
- Met organellen
- DNA in celkern
- Mitochondriën leveren energie
- Groter dan bacteriën
- Voorbeeld van een eencellige pantoffeldiertjes en algen
- Halen energie uit zonlicht (fotosynthese)
- Hebben bladgroenkorrels in cel
3. Schimmels:
- Eén of meer cellen
- Met organellen (waaronder een celwand)
- Geen bladgroenkorrels
- Voeden zich met andere organismen of de resten daarvan
- Onder een paddenstoel zit een netwerk van schimmeldraden (mycelium) nemen
voedsel op uit de bodem.
- Gisten zijn eencellige schimmels
4. Planten:
- Meercellig
- Fotosynthese
- Met organellen (bladgroenkorrels en celwand)
5. Dieren:
- Meer cellig
- Geen celwand, wel organellen
- Geen bladgroenkorrels
Rijk van de planten
- Mossen
- Varens & paardenstaarten
- Naaktzadigen (naaldbomen)
- bedektzadigen (planten met bloemen)
1. Mossen:
- Geen vaten
- Voortplanting met sporen
- Vochtige plaatsen
3