De werkdoelen voor dit thema zijn:
1. Je kan het proces van gastrulatie beschrijven en de 3 kiembladen benoemen
2. Je kan benoemen welke weefsels uit welk kiemblad ontstaat
3. Je kan benoemen wat dermatomen zijn in relatie tot de segmentatie die optreedt tijdens
de embryonale fase
4. Je kan de pathofysiologie van enkele ontwikkelingsstoornissen beschrijven (bijv. spina
bifida en hydrocephalus)
5. Je herkent enkele neonatale reflexen
Embryo: de eerste 8 weken van de zwangerschap
Foetus: Als na acht weken zwangerschap alle organen en weefsels in aanleg aanwezig zijn begint de foetale
ontwikkeling
Embryonale fase: de eerste
8 weken waarin de basis van
het gehele lichaam gevormd
wordt uit die ene bevruchte
eicel
blastulaholte
Blastocyst/blastula (kiemblaadje): we spreken
van een blastula als er een holte in de vrucht is
ontstaan.
Er ontstaan nu 2 soorten cellen:
embryoblast Buitenom komen de cellen te liggen van de trofoblast
trofoblast
(deze vormen de placenta en de vliezen) en
De binnenste cellaag is de embryoblast waaruit de
vrucht zelf zal groeien.
zygote = het eencellig stadium. Het moment dat de 23 chromosomen van de eicel en zaadcel zijn
samengesmolten (46 chromosomen).
mytose = celdeling
morula: de zygote heeft zich ontwikkelt tot een klompje cellen
nidatie= innesteling dit gebeurt na 5 a 6 dagen.
amnionholte is de holte die zich in de embryoblast vormt.