Stappenplannen Bestuursrecht
Is iets een a-orgaan dan wel b-orgaan?
1. Hebben we te maken met een a-bestuursorgaan in de zin van art.1:1 lid 1 sub a
Awb? Wil er sprake zijn van een a-bestuursorgaan, dan moeten de volgende drie
vragen bevestigend worden beantwoordt:
a. Is er sprake van een rechtspersoon?
b. Is deze rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld? Om dit te beoordelen kijk
je naar art.2:1 lid 1, lid 2 en lid 3 BW. Lid 1 geeft een opsomming van rechtspersonen
ingesteld krachtens publiekrecht. Lid 2 vormt hierbij een opvangbepaling. Er bestaan
dus naast de entiteiten van lid 2 ook andere die aangemerkt kunnen worden als ‘een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld’. Hiervoor moet je kijken naar
de instellingswet van de entiteit.
c. Is de persoon of het college waarvan de status moet worden bepaald, orgaan van
die rechtspersoon? Hiervoor moet je kijken naar art.2:1 lid 1 en lid 2 BW.
I. Als je te maken hebt met een entiteit die onder art.2:1 lid 1 valt, dan werp je
een blik op de organisatiewetten. Voor gemeentes is dat bijv. art.6 Gemw.
II. Als je te maken hebt met een entiteit die onder art.2:1 lid 2 valt, dan kijk je
naar de instellingswetten.
2. Indien je niet te maken hebt met een a-orgaan, hebben we wellicht te maken met
een b-orgaan? Als het geen a-orgaan is, kan het nog een b-orgaan zijn krachtens
art.1:1 lid 1 sub b Awb. Hiervoor is vereist dat deze, doorgaans privaatrechtelijke
instelling, met ‘enig openbaar gezag is bekleed’. Dit is wanneer een entiteit eenzijdig
(dus zonder instemming van de wederpartij) de rechtspositie van rechtssubjecten
kan bepalen. Oftewel, wanneer hij een publiekrechtelijke rechtshandeling verricht.
KANTTEKENINGEN: art.1:1 lid 2 Awb bevat een lijst met organen die niet worden
aangemerkt als bestuursorgaan.
Is er sprake van een besluit in de zin van art.1:3 lid 1
Awb?
1. Bestuursorgaan: de beslissing moet afkomstig van een bestuursorgaan in de zin van
art.1:1 lid 1 sub a of sub b Awb.
2. Schriftelijk: de beslissing moet schriftelijk genomen worden. Een sticker afgegeven
door een bestuursorgaan kan volstaan, alsmede notulen van een vergadering.
3. Rechtshandeling: er moet sprake zijn van een rechtshandeling die een rechtsgevolg
beoogd. Dit valt uiteen in de verschillende subvereisten:
a. Rechtsgevolg: de handeling moet rechtsgevolg hebben.
b. Een beoogd rechtsgevolg: de rechtshandeling moet gericht zijn op het laten
intreden van een bepaald rechtsgevolg, hier heb je 3 combinaties van:
i. Rechtshandeling die beoogd is.
ii. Handelingen die geen rechtsgevolg beogen, maar dit toch hebben
iii. Handeling die een rechtsgevolg beogen, maar deze niet hebben
Is iets een a-orgaan dan wel b-orgaan?
1. Hebben we te maken met een a-bestuursorgaan in de zin van art.1:1 lid 1 sub a
Awb? Wil er sprake zijn van een a-bestuursorgaan, dan moeten de volgende drie
vragen bevestigend worden beantwoordt:
a. Is er sprake van een rechtspersoon?
b. Is deze rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld? Om dit te beoordelen kijk
je naar art.2:1 lid 1, lid 2 en lid 3 BW. Lid 1 geeft een opsomming van rechtspersonen
ingesteld krachtens publiekrecht. Lid 2 vormt hierbij een opvangbepaling. Er bestaan
dus naast de entiteiten van lid 2 ook andere die aangemerkt kunnen worden als ‘een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld’. Hiervoor moet je kijken naar
de instellingswet van de entiteit.
c. Is de persoon of het college waarvan de status moet worden bepaald, orgaan van
die rechtspersoon? Hiervoor moet je kijken naar art.2:1 lid 1 en lid 2 BW.
I. Als je te maken hebt met een entiteit die onder art.2:1 lid 1 valt, dan werp je
een blik op de organisatiewetten. Voor gemeentes is dat bijv. art.6 Gemw.
II. Als je te maken hebt met een entiteit die onder art.2:1 lid 2 valt, dan kijk je
naar de instellingswetten.
2. Indien je niet te maken hebt met een a-orgaan, hebben we wellicht te maken met
een b-orgaan? Als het geen a-orgaan is, kan het nog een b-orgaan zijn krachtens
art.1:1 lid 1 sub b Awb. Hiervoor is vereist dat deze, doorgaans privaatrechtelijke
instelling, met ‘enig openbaar gezag is bekleed’. Dit is wanneer een entiteit eenzijdig
(dus zonder instemming van de wederpartij) de rechtspositie van rechtssubjecten
kan bepalen. Oftewel, wanneer hij een publiekrechtelijke rechtshandeling verricht.
KANTTEKENINGEN: art.1:1 lid 2 Awb bevat een lijst met organen die niet worden
aangemerkt als bestuursorgaan.
Is er sprake van een besluit in de zin van art.1:3 lid 1
Awb?
1. Bestuursorgaan: de beslissing moet afkomstig van een bestuursorgaan in de zin van
art.1:1 lid 1 sub a of sub b Awb.
2. Schriftelijk: de beslissing moet schriftelijk genomen worden. Een sticker afgegeven
door een bestuursorgaan kan volstaan, alsmede notulen van een vergadering.
3. Rechtshandeling: er moet sprake zijn van een rechtshandeling die een rechtsgevolg
beoogd. Dit valt uiteen in de verschillende subvereisten:
a. Rechtsgevolg: de handeling moet rechtsgevolg hebben.
b. Een beoogd rechtsgevolg: de rechtshandeling moet gericht zijn op het laten
intreden van een bepaald rechtsgevolg, hier heb je 3 combinaties van:
i. Rechtshandeling die beoogd is.
ii. Handelingen die geen rechtsgevolg beogen, maar dit toch hebben
iii. Handeling die een rechtsgevolg beogen, maar deze niet hebben