Toets informatie voor studenten BOK3 (fase1 OP3)
Digitale kennistoets OP3 Leerdoelen waarover vrag
kunnen worden gesteld
Titel leskaart BS Onthouden Begrijpen Toepassen
Bloed en immuniteit 1 4 3 1t/m 7
Diabetes 1 6 6 1 t/m 5
Huid 1 4 2 1 t/m7
Griep 2 3 3 1,2
Osteoporose en artrose 5 5 1 *
Skelet 5 5 2 1 t/m 15
Hormonen 5 4 2 1 t/m 14
*
1.Je beschrijft de bouw en de functie van het bot.
2.Je beschrijft de ontwikkeling van het bot (botvorming; botgenezing; botbalans).
3.Je omschrijft op welke manieren botten met elkaar verbonden kunnen zijn.
4.Je omschrijft het ziektebeeld artrose; osteoporose en collumfractuur.
5.Je benoemt de mogelijke oorzaak van het ziektebeeld.
6.Je benoemt de symptomen (verschijnselen) van deze ziektebeelden.
7.Je beschrijft een mogelijke behandeling van de ziektebeelden.
8.Je beschrijft of er mogelijkheden zijn om deze ziekten te voorkomen.
,Bloed en immuniteit, 7 vragen
Doel: Je beschrijft de samenstelling van het bloed. Je benoemt de functies van het bloed. Je vertelt
hoe de verschillende bloedcellen eruit zien en wat hun taak is (rode bloedcellen, witte bloedcellen
en bloedplaatjes). Je vertelt waarom het belangrijk is om bij een bloedtransfusie op de
bloedgroepen en de resusfactor te letten (ABO-stelsel; Resusstelsel). Je beschrijft de bloedstelping
(drie stappen). Je beschrijft verschillende termen die van belang zijn bij de afweer: gewone afweer,
verdedigingslinies (=barrières), vijf stadia van het ontstekingsproces, afweer door drie
verschillende soorten witte bloedcellen. Je legt de volgende begrippen uit: immuniteit (specifieke
afweer), humorale immuniteit, cellulaire immuniteit, actieve immuniteit; passieve immuniteit.
Samenstelling van het bloed
Volwassen mens heeft ongeveer vier tot zes liter bloed in zijn lichaam. Bloed bestaat uit vloeistof
plasma en cellen rode bloedcellen (erythrocyten), witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes
(trombocyten).
Rode bloedcellen
Plat, rond, deuk in het midden, hebben geen celkern en leven 120 dagen.
Rode bloedcellen zijn de meest voorkomende. Je hebt ijzer, vitamine B12 en foliumzuur nodig om
rode bloedcellen te kunnen maken. De milt filters oude en beschadigde rode bloedcellen uit het
bloed en breekt ze af.
Belangrijkste functies van rode bloedcellen: het vervoer van zuurstof en koolzuurgas. Zuurstof plakt
aan het hemoglobine.
Bloed met veel zuurstof = helderrood. Bloed wordt donkerrood zodra de zuurstof is afgegeven. Het
bloed vervoert koolzuurgas van de cellen naar de longen. Via de longen adem je koolzuurgas uit.
Witte bloedcellen
Bolvormig, kleurloze cellen en leven 2 dagen.
Witte bloedcellen spelen een belangrijke rol bij de afweer. Ze reageren op alles wat niet bij je lichaam
hoort. Zodra er een bacterie of virus in het bloed of de weefsels komt, vallen de witte bloedcellen
deze aan. Er zijn drie soorten witte bloedcellen:
1. Granulocyten witte bloedcellen met korrels in de cel (algemene afweer).
2. Monocyten witte bloedcellen met een grote onregelmatige kern (algemene afweer).
3. Lymfocyten witte bloedcellen met een grote ronde kern (gerichte afweer, 3 e afweerlinie).
Bloedplaatjes
Kleine, platte cellen, hebben geen celkern en leven 7-10 dagen.
Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij de bloedstolling. Als een bloedvatwand beschadigd raakt,
plakken de bloedvaatjes vast aan de vaatwand bloedprop.
,Plasma
Plasma is het vloeibare deel van het bloed, bestaat 90% uit water. De belangrijkste functies van
plasma zijn het vervoer van: voedingsstoffen en hormonen naar de cellen, koolzuurgas naar de
longen en afvalstoffen naar de lever en nieren.
Plasma bestaat naast water ook uit eiwitten en zouten. De belangrijkste eiwitten in je plasma zijn
albumine, globuline en stollingseiwit.
Albumine
Albumine is een groot eiwit. Het kan niet door de bloedvatwand heen. Twee belangrijkste functies:
1. Transporteiwit.
2. Zorgt ervoor dat het bloed water en stofjes aantrekt en afgeeft.
Globulinen
Globulinen zijn kleine eiwitten. Sommige globulinen vervoeren voedingsstoffen via het bloed naar de
cellen, andere spelen een rol bij de afweer.
Stollingseiwit
Stollingseiwitten helpen bij de bloedstolling. Belangrijkste stollingseiwit is fibrinogeen gemaakt in
de lever. Bij een bloeding wordt fibrinogeen omgezet in fibrine vormt draden op de plaats waar de
bloedvatwand is beschadigd bloedprop.
Bloedstolling
Zodra je bloedt, gebeuren er drie dingen:
1. Het bloedvat vernauwt. Hierdoor stroomt er minder bloed door het kapotte vat.
2. Er vormt zich een bloedprop. Bloedplaatjes blijven plakken aan de kapotte vaatwand en
fibrinedraden zorgen voor een stevige prop.
3. Het bloed wordt stroperiger. Hierdoor kan het bloed minder snel door de kapotte wand stromen.
Bloedgroepen
Verschillende mensen hebben verschillende soorten bloed. Dat komt doordat er bij iedereen
verschillende eiwitten en antistoffen op de rode bloedcellen zitten.
Er zijn vier bloedgroepen:
1. A, heeft antistof B, kan bloedgeven aan A en AB, kan krijgen van A en O.
2. B, heeft antistof A, kan bloedgeven aan B en AB, kan krijgen van B en O.
3. AB, geen antistof, kan geven aan AB en elk bloed krijgen.
4. O, Anti A en B, kan geven aan alle bloedgroepen en krijgen van O.
, Bloedtransfusie
Het is belangrijk om te weten welke bloedgroep je hebt voor een bloedtransfusie. Je moet ook weten
of je resusfactor op je rode bloedcellen hebt. Resusfactor is een antistof die voor het eerst werd
gevonden bij resusapen. Later bleek dat deze antistof ook bij mensen aanwezig is. Als resusfactor
aanwezig is ben je resuspositief (Rh+). Als je geen resusfactor hebt ben je resusnegatief (Rh-).
Afweersysteem
Je lichaam heeft een aantal verdedigingslinies voor de afweer van ziektekiemen.
1. De eerste verdedigingslinie is de buitenkant van je lichaam (huid en slijmvliezen).
2. De binnenkant van je lichaam heeft ook een sterke afweer (maagzuur).
3. De derde verdedigingslinie is je afweersysteem. Dit komt in actie als ziektekiemen toch in je
lichaamsweefsels doordringen. Bestaat uit: afweercellen en antistoffen die op verschillende plaatsen
in je lichaam worden aangemaakt, zoals in het beenmerg, de milt en lymfeknopen.
De lymfeknopen zijn gladde boonvormige orgaantjes met vele afweercellen. Ze zijn onderdeel van
het lymfestelsel. Het lymfestelsel is een gesloten buizensysteem dat naast de kleinste bloedvaatjes
(haarvaatjes) in de lichaamsweefsels ligt. Het lymfestelsel neemt al het overtollige vocht en
afvalstoffen in de weefsels op en geeft dit/deze gezuiverd weer terug aan het bloed. De milt, een
belangrijk orgaan bij de productie van afweercellen, is onderdeel van de bloedsomloop en daardoor
in staat het bloed te zuiveren van ziektekiemen. Tot slot is er de zwezerik. Dit is een orgaan dat vanaf
de geboorte afweercellen produceert. Deze speciale afweercellen hebben een geheugenfunctie.