• Bacteriën en schimmels kunnen koolhydraten omzetten in stoffen die nuttig zijn bij de
productie van voedingsmiddelen.
– Melkzuurbacteriën produceren melkzuur en worden gebruikt bij de productie van o.a. kaas,
yoghurt en zuurkool.
– Gisten produceren koolstofdioxide en alcohol en worden gebruikt bij de productie van o.a.
brood, bier en wijn.
• Bacteriën en schimmels kunnen voedselbederf veroorzaken.
– Voedselvergiftiging: ontstaat vaak door het eten van voedsel dat met bacteriën is besmet.
• In alle organismen vinden stofwisselingsprocessen plaats.
– Voorbeelden van processen zijn assimilatie, fotosynthese, verbranding en gisting.
• Enzymen versnellen de reacties van stofwisselingsprocessen zonder daarbij zelf te worden
verbruikt.
– Enzymen zijn eiwitten.
– Enzymen werken specifiek: één enzym kan slechts één soort reactie versnellen.
• Enzymactiviteit: de snelheid waarmee een enzym een reactie versnelt.
• De temperatuur en zuurgraad beïnvloeden de enzymactiviteit volgens een
optimumkromme.
– Minimumtemperatuur (–pH): de laagste temperatuur (pH) waarbij een enzym actief is.
– Optimumtemperatuur (–pH): de temperatuur (pH) waarbij de enzymactiviteit het grootst is.
– Maximumtemperatuur (–pH): de hoogste temperatuur (pH) waarbij een enzym actief is.
• De zuurgraad (pH) geeft aan of een oplossing zuur, neutraal of basisch is.
• Conserveren: voedsel behandelen zodat het niet of minder snel bederft.
– De omstandigheden voor bacteriën en schimmels worden ongunstig gemaakt.
– Invriezen (bijv. vlees): de temperatuur verlagen tot –18 °C.
– Koelen (bijv. groente): de temperatuur verlagen tot 4 °C.
– Pasteuriseren (bijv. melk): verhitten tot 72 °C.
– Steriliseren (bijv. lang houdbare melk): verhitten tussen 130 en 140 °C.
– Luchtdicht verpakken: inblikken (bijv. groenten) of vacuüm verpakken (bijv. koffie).
– Drogen (bijv. soep): onttrekken van water aan het voedsel.
• Conserveermiddelen.
– Natuurlijke conserveermiddelen toevoegen: zuur (bijv. augurken), suiker (bijv. jam) of zout
(bijv. olijven).
– Kunstmatige conserveermiddelen toevoegen: bijv. sulfiet in dranken.
• Additieven: stoffen die aan producten worden toegevoegd om ze langer houdbaar of
aantrekkelijker te maken (bijv. conserveermiddelen, geur-, kleur- en smaakstoffen).
• Voedingsmiddelen: alle producten die je eet en drinkt.
, • Voedingsstoffen: bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen.
• Voedingsvezels: onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.
– Bevorderen de darmbewegingen en de stoelgang.
• Een deel van de opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen. Glycogeen is een
reservestof.
• Een teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in vet en opgeslagen.
• Een teveel aan vet wordt opgeslagen, vooral onder de huid. Hierdoor word je dikker.
– Verzadigde vetten dienen vooral als brandstof. Door het eten van veel verzadigde vetten
neemt de kans op hart- en vaatziekten toe.
– Onverzadigde vetten dienen vooral als bouwstof. Deze vetten heeft je lichaam nodig.
• Voedingsstoffen kun je aantonen met behulp van indicatoren.
– Met joodoplossing kun je zetmeel aantonen.
– Met teststrookjes kun je glucose aantonen.
• Adviezen voor een gezonde voeding en leefstijl:
– Eet gevarieerd.
– Eet niet te veel en beweeg voldoende.
– Eet weinig verzadigd vet.
– Eet veel groente, fruit en volkorenbrood.
– Ga veilig met je voedsel om.
• Grondstofwisseling: de stofwisseling van het lichaam in rust.