Duitsland in Europa
Kenmerkende aspecten
1. De rol van propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
2. Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme, fascisme en
nationaalsocialisme
3. De crisis van het wereldkapitalisme
4. Het voeren van twee wereldoorlogen
5. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op Joden
6. De Duitse bezetting van Nederland
7. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop
en daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog
8. De eenwording van Europa
9. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 60 aanleiding gaf tot de ingrijpende
sociaal-culturele veranderingsprocessen
Kenmerkende aspecten tijdvak 7:
1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
2. Het voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse
wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden trans-atlantische slavenhandel en de opkomst van het verlicht
absolutisme
4. De democratische revoluties in westerse landen met gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap
Kenmerkende aspecten tijdvak 8:
1. De industriële revolutie en het ontstaan van een industriële samenleving in de westerse
wereld
2. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
3. De opkomst van emancipatiebewegingen
4. Voortschrijdende democratisering: steeds meer mannen en vrouwen nemen deel aan de
politiek
5. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen; liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionnalisme en feminisme
6. Discussies over de ‘sociale kwesties’
Belangrijk jaartal
Belangrijk begrip
Belangrijke namen
, Paragraaf 1
Leidende vraag: Wat leidde tot de opkomst van het nationaalsocialisme en welke gevolgen had dit
voor Duitsland in Europa?
Samenvatting:
De wankele democratie van weimar:
Leerdoel 1:
Waardoor de Duitse democratie na de eerste wereldoorlog wankel was
Duitsland is van 1871 tot 1918 een keizerrijk geweest. In 1914 vechten de duitsers als centralen tegen
de geallieerden. In 1918 verliezen ze de oorlog, ze zijn genoodzaakt om een nieuwe regering aan te
stellen en de vredesonderhandelingen beginnen.
De oorlog gaat door en er werd beveelt om een Duitse vloot naar Brits gebied te sturen. Dit was een
zelfmoordmissie. Duitsers weigerde dit uit te voeren en op 3 november 1918 kwamen er opstanden
vanuit de bevolking. Op 9 november 1918 wordt de republiek uitgeroepen. Wilhelm 2 treedt af en
vlucht naar Nederland. De parlementsverkiezingen gingen gewoon door na de oorlog. De SPD wint, de
sociaaldemocratische partij Duitsland. Ze begonnen met de opbouw van een parlementaire
democratie.
Er is veel onvrede in Duitsland. In de zomer van 1919 nam het parlement de grondwet aan. De
democratie werd de republiek van Weimar genoemd. De democratie was vanaf het begin al wankel. De
conservatieve hadden nog invloed, terwijl de keizerin was gevlucht. Hoogopgeleiden wilden het liefste
terug naar de oude situatie. De extreem links en rechters wouden de democratie omver werpen. Er
kwam veel politiek geweld en het vertrouwen in de democratie werd telkens minder.
De communisten streefden naar een staat zonder politieke partijen.
De conservatieve elite streefden naar tijden van het keizerrijk met de macht bij de adel en ze wilden
weer invloed.
De extreem nationalistische groepen waren veel oud-soldaten die teleurgesteld waren en geloofden in
de dolkstootlegende.
Het vertrouwen in de democratie werd in juli 1919 nog minder door het verdrag van versailles.
Duitsland verliest 10% van hun grondgebied en alle koloniën. Ze hadden veel beperkingen binnen de
militaire macht. Ze moesten ook schuld bekennen aan de oorlog en herstelbetalingen doen. De
conservatieven en extreem rechtse groepen reageren woedend.
Ze vonden dit een dolk in de rug. Door de dolkstootlegende verloren de democratische partijen bij de
verkiezingen van 1920 veel stemmen. Er waren extreem veel schulden in het Duitse rijk. In 1923 viel
de economie stil er kwam een crisis. Frankrijk en België bezetten het Ruhrgebied, als Duitsland
achterblijft met hun herstelbetalingen. De Duitse regering riep het volk op om te gaan protesteren,
maar hiervoor krijgen ze betaald. Ze gingen geld bijdrukken, hierdoor ontstond er een hyperinflatie.
Veel spaarders waren in een keer hun geld kwijt.
De politieke en economische crisis werd opgelost dankzij het Dawesplan. Duitsland kreeg een lening
van Amerika. Hierdoor konden ze de economie weer opbouwen en de herstelbetalingen doorbetalen.
Engeland en Frankrijk betalen de oorlogsschulden af aan de VS. Het Ruhrgebied wordt teruggegeven.
In 1924 tot 1929 kwamen de gouden jaren van de Republiek van Weimar. In 1925 werd Duitsland
toegevoegd aan een vakbond.
Kenmerkende aspecten
1. De rol van propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
2. Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme, fascisme en
nationaalsocialisme
3. De crisis van het wereldkapitalisme
4. Het voeren van twee wereldoorlogen
5. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op Joden
6. De Duitse bezetting van Nederland
7. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop
en daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog
8. De eenwording van Europa
9. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 60 aanleiding gaf tot de ingrijpende
sociaal-culturele veranderingsprocessen
Kenmerkende aspecten tijdvak 7:
1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
2. Het voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse
wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden trans-atlantische slavenhandel en de opkomst van het verlicht
absolutisme
4. De democratische revoluties in westerse landen met gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap
Kenmerkende aspecten tijdvak 8:
1. De industriële revolutie en het ontstaan van een industriële samenleving in de westerse
wereld
2. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
3. De opkomst van emancipatiebewegingen
4. Voortschrijdende democratisering: steeds meer mannen en vrouwen nemen deel aan de
politiek
5. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen; liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionnalisme en feminisme
6. Discussies over de ‘sociale kwesties’
Belangrijk jaartal
Belangrijk begrip
Belangrijke namen
, Paragraaf 1
Leidende vraag: Wat leidde tot de opkomst van het nationaalsocialisme en welke gevolgen had dit
voor Duitsland in Europa?
Samenvatting:
De wankele democratie van weimar:
Leerdoel 1:
Waardoor de Duitse democratie na de eerste wereldoorlog wankel was
Duitsland is van 1871 tot 1918 een keizerrijk geweest. In 1914 vechten de duitsers als centralen tegen
de geallieerden. In 1918 verliezen ze de oorlog, ze zijn genoodzaakt om een nieuwe regering aan te
stellen en de vredesonderhandelingen beginnen.
De oorlog gaat door en er werd beveelt om een Duitse vloot naar Brits gebied te sturen. Dit was een
zelfmoordmissie. Duitsers weigerde dit uit te voeren en op 3 november 1918 kwamen er opstanden
vanuit de bevolking. Op 9 november 1918 wordt de republiek uitgeroepen. Wilhelm 2 treedt af en
vlucht naar Nederland. De parlementsverkiezingen gingen gewoon door na de oorlog. De SPD wint, de
sociaaldemocratische partij Duitsland. Ze begonnen met de opbouw van een parlementaire
democratie.
Er is veel onvrede in Duitsland. In de zomer van 1919 nam het parlement de grondwet aan. De
democratie werd de republiek van Weimar genoemd. De democratie was vanaf het begin al wankel. De
conservatieve hadden nog invloed, terwijl de keizerin was gevlucht. Hoogopgeleiden wilden het liefste
terug naar de oude situatie. De extreem links en rechters wouden de democratie omver werpen. Er
kwam veel politiek geweld en het vertrouwen in de democratie werd telkens minder.
De communisten streefden naar een staat zonder politieke partijen.
De conservatieve elite streefden naar tijden van het keizerrijk met de macht bij de adel en ze wilden
weer invloed.
De extreem nationalistische groepen waren veel oud-soldaten die teleurgesteld waren en geloofden in
de dolkstootlegende.
Het vertrouwen in de democratie werd in juli 1919 nog minder door het verdrag van versailles.
Duitsland verliest 10% van hun grondgebied en alle koloniën. Ze hadden veel beperkingen binnen de
militaire macht. Ze moesten ook schuld bekennen aan de oorlog en herstelbetalingen doen. De
conservatieven en extreem rechtse groepen reageren woedend.
Ze vonden dit een dolk in de rug. Door de dolkstootlegende verloren de democratische partijen bij de
verkiezingen van 1920 veel stemmen. Er waren extreem veel schulden in het Duitse rijk. In 1923 viel
de economie stil er kwam een crisis. Frankrijk en België bezetten het Ruhrgebied, als Duitsland
achterblijft met hun herstelbetalingen. De Duitse regering riep het volk op om te gaan protesteren,
maar hiervoor krijgen ze betaald. Ze gingen geld bijdrukken, hierdoor ontstond er een hyperinflatie.
Veel spaarders waren in een keer hun geld kwijt.
De politieke en economische crisis werd opgelost dankzij het Dawesplan. Duitsland kreeg een lening
van Amerika. Hierdoor konden ze de economie weer opbouwen en de herstelbetalingen doorbetalen.
Engeland en Frankrijk betalen de oorlogsschulden af aan de VS. Het Ruhrgebied wordt teruggegeven.
In 1924 tot 1929 kwamen de gouden jaren van de Republiek van Weimar. In 1925 werd Duitsland
toegevoegd aan een vakbond.