Leerdoelen Onderzoek
1. DIO kent criteria voor probleemstelling, vraagstelling, doelstelling.
Doelstelling Probleemstelling Centrale vraag Deelvragen Onderzoeksvragen
Doelstelling
De doelstellingen worden SMART geformuleerd:
Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsbepaald.
Probleemstelling
De functie van de probleemstelling is het afbakenen van het onderzoeksterrein.
Dit kan een concreet probleem zijn, maar dit hoeft niet altijd. De probleemstelling geeft het
onderwerp van het onderzoek aan en bevat minimaal de volgende elementen:
Wat zijn de grenzen van het onderzoeksgebied?
Wie behoren er tot de onderzoekspopulatie?
Afbakenen van het onderzoeksterrein:
- Invalshoek: economisch, juridisch, voedingskundig, prestatiegericht etc.
- Plaats: stad, wijk, regio etc.
- Sector: midden- en kleinbedrijf, banken
- Tijd: sinds 2 jaar, laatste 3 maanden
Centrale vraag
De probleemstelling leidt tot de centrale vraag dit is de rode draad van het onderzoek. De
centrale vraag is de vraag die in het onderzoek beantwoord dient te worden.
Eisen aan de formulering van de centrale vraag:
1. Hij moet breed genoeg geformuleerd worden, zodat alle aspecten die we willen
onderzoeken eronder vallen.
2. De centrale vraag dient goed ingeperkt te zijn, zodat duidelijk wordt wat er wordt
onderzocht (specifiek) en liefst ook al op welke wijze en bij wie.
3. Is als vraag geformuleerd en is het liefst een open vraag die je niet alleen met ja of nee
kunt beantwoorden.
4. De termen in de centrale vraag staan, dienen helder en eenduidig geformuleerd te zijn.
5. De vraag dient te kunnen beantwoorden door onderzoek, normatieve vragen zijn niet
geschikt.
6. Het is geen ‘hoe’, ‘waarom’ o f ‘waardoor’ –vraag. Deze vragen zijn moeilijk te
onderzoeken, omdat vooraf lastig in kaart te brengen is welke aspecten allemaal
meegenomen moeten worden om de vraag te kunnen beantwoorde. Je kunt alle kanten
op, de vraag is dus te breed.
Deelvragen
Worden afgeleid van de centrale vraag. Als alle deelvragen beantwoord zijn moet je ook
antwoord kunnen geven op de centrale vraag.
Hoe kom je aan geschikte deelvragen?
a. Welke variabelen worden er in de centrale vraag genoemd
b. Vervolgens kunnen er verbanden worden gelegd en mogelijke verklaringen worden
bedacht
c. Beginnen vaak met wie, wat, waar, waarom en wanneer
Onderzoeksvragen
Gespecificeerde deelvragen die rechtstreeks in een analyseschema kunnen worden gebruikt.
Een analyseschema is een schema waarin je expliceert welke verbanden je gaat toetsen met
behulp van welke statistische technieken.
, 2. DIO kan de probleemstelling, doelstelling en vraagstelling van een onderzoek herleiden
uit een gegeven of zelf meegebracht wetenschappelijk artikel.
De DIO heeft inzicht in de opbouw van een artikel
Artikel opbouw:
1. Inleiding
Doel
Onderzoeksvraag
Probleemstelling
2. Methode en Materiaal
Hoe heb je het onderzoek gedaan
o Met behulp van welke onderzoeksopzet
Kwalitatief
Kwantitatief
Materiaal houdt de onderzochte personen in
Wat wordt er gemeten, en op welke manier?
Toetsing van je metingen statistiek
(Investigational product) wanneer er een product wordt getest
3. Resultaten
Uitkomsten, objectief
Significant – wanneer het geen toeval is (duidelijk verschil)
Niet significant verschil - wanneer het toeval is
4. Discussie ‘verantwoording’
Mogelijke verklaringen voor de resultaten
+ en – punten over het onderzoek
Subjectief
5. Conclusie en aanbevelingen
3. De DIO kan een beargumenteerde keuze maken voor methoden voor
informatieverzameling en een informatieplan maken.
Het informatieplan bestaat uit:
1. Een beschrijving van het soort onderzoek (beschrijvend, exploratief of toetsend)
2. Een beschrijving van de aard van de informatie die je wilt verzamelen (kwalitatief/
kwantitatief)
3. Je onderzoek naar welke informatie beschikbaar is via deskresearch, en een evaluatie of
dat voldoende is voor je informatiebehoefte. Indien dat niet het geval is, moet je zelf
gegevens via eigen onderzoek verzamelen (fieldresearch)
4. Een keuze voor de methoden van informatieverzameling die je in je onderzoek wilt
gebruiken.
Het 1e onderscheid bestaat uit de soort van het onderzoek:
1. Beschrijvend
Onderzoek waarbij je een situatie in kaart wilt brengen. Meestal heb je niet veel
voorkennis. Vorm van kwantitatief onderzoek, vaak een eerste stap in het onderzoek.
Voorbeeld: een bedrijf dat wil weten hoe zijn klantenkring er eigenlijk uitziet en hoe die
klanten het bedrijf beoordelen op bijvoorbeeld aspecten van klanttevredenheid.
2. Exploratief
Onderzoek waarbij je op zoek bent naar verbanden en/ of verklaringen. Je voorkennis is
veelal groter, maar je weet nog niet waarom zaken zijn zoals geconstateerd. Kan zowel
kwantitatief als kwalitatief zijn.
Voorbeeld: een organisatie die wil weten waarom het ziekteverzuim op de afdeling
administratie zoveel hoger is dan op de afdeling verkoop.
3. Toetsend
Onderzoek waarbij je een theorie of verwachting (hypothese) wilt toetsen. In het gebal van
praktijkonderzoek val hieronder ook evaluatieonderzoek. Hierbij wordt onderzocht of een
ingestelde maatregel de gewenste effecten heeft gehad. Wordt meestal gebruik gemaakt
van kwantitatieve methoden
1. DIO kent criteria voor probleemstelling, vraagstelling, doelstelling.
Doelstelling Probleemstelling Centrale vraag Deelvragen Onderzoeksvragen
Doelstelling
De doelstellingen worden SMART geformuleerd:
Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsbepaald.
Probleemstelling
De functie van de probleemstelling is het afbakenen van het onderzoeksterrein.
Dit kan een concreet probleem zijn, maar dit hoeft niet altijd. De probleemstelling geeft het
onderwerp van het onderzoek aan en bevat minimaal de volgende elementen:
Wat zijn de grenzen van het onderzoeksgebied?
Wie behoren er tot de onderzoekspopulatie?
Afbakenen van het onderzoeksterrein:
- Invalshoek: economisch, juridisch, voedingskundig, prestatiegericht etc.
- Plaats: stad, wijk, regio etc.
- Sector: midden- en kleinbedrijf, banken
- Tijd: sinds 2 jaar, laatste 3 maanden
Centrale vraag
De probleemstelling leidt tot de centrale vraag dit is de rode draad van het onderzoek. De
centrale vraag is de vraag die in het onderzoek beantwoord dient te worden.
Eisen aan de formulering van de centrale vraag:
1. Hij moet breed genoeg geformuleerd worden, zodat alle aspecten die we willen
onderzoeken eronder vallen.
2. De centrale vraag dient goed ingeperkt te zijn, zodat duidelijk wordt wat er wordt
onderzocht (specifiek) en liefst ook al op welke wijze en bij wie.
3. Is als vraag geformuleerd en is het liefst een open vraag die je niet alleen met ja of nee
kunt beantwoorden.
4. De termen in de centrale vraag staan, dienen helder en eenduidig geformuleerd te zijn.
5. De vraag dient te kunnen beantwoorden door onderzoek, normatieve vragen zijn niet
geschikt.
6. Het is geen ‘hoe’, ‘waarom’ o f ‘waardoor’ –vraag. Deze vragen zijn moeilijk te
onderzoeken, omdat vooraf lastig in kaart te brengen is welke aspecten allemaal
meegenomen moeten worden om de vraag te kunnen beantwoorde. Je kunt alle kanten
op, de vraag is dus te breed.
Deelvragen
Worden afgeleid van de centrale vraag. Als alle deelvragen beantwoord zijn moet je ook
antwoord kunnen geven op de centrale vraag.
Hoe kom je aan geschikte deelvragen?
a. Welke variabelen worden er in de centrale vraag genoemd
b. Vervolgens kunnen er verbanden worden gelegd en mogelijke verklaringen worden
bedacht
c. Beginnen vaak met wie, wat, waar, waarom en wanneer
Onderzoeksvragen
Gespecificeerde deelvragen die rechtstreeks in een analyseschema kunnen worden gebruikt.
Een analyseschema is een schema waarin je expliceert welke verbanden je gaat toetsen met
behulp van welke statistische technieken.
, 2. DIO kan de probleemstelling, doelstelling en vraagstelling van een onderzoek herleiden
uit een gegeven of zelf meegebracht wetenschappelijk artikel.
De DIO heeft inzicht in de opbouw van een artikel
Artikel opbouw:
1. Inleiding
Doel
Onderzoeksvraag
Probleemstelling
2. Methode en Materiaal
Hoe heb je het onderzoek gedaan
o Met behulp van welke onderzoeksopzet
Kwalitatief
Kwantitatief
Materiaal houdt de onderzochte personen in
Wat wordt er gemeten, en op welke manier?
Toetsing van je metingen statistiek
(Investigational product) wanneer er een product wordt getest
3. Resultaten
Uitkomsten, objectief
Significant – wanneer het geen toeval is (duidelijk verschil)
Niet significant verschil - wanneer het toeval is
4. Discussie ‘verantwoording’
Mogelijke verklaringen voor de resultaten
+ en – punten over het onderzoek
Subjectief
5. Conclusie en aanbevelingen
3. De DIO kan een beargumenteerde keuze maken voor methoden voor
informatieverzameling en een informatieplan maken.
Het informatieplan bestaat uit:
1. Een beschrijving van het soort onderzoek (beschrijvend, exploratief of toetsend)
2. Een beschrijving van de aard van de informatie die je wilt verzamelen (kwalitatief/
kwantitatief)
3. Je onderzoek naar welke informatie beschikbaar is via deskresearch, en een evaluatie of
dat voldoende is voor je informatiebehoefte. Indien dat niet het geval is, moet je zelf
gegevens via eigen onderzoek verzamelen (fieldresearch)
4. Een keuze voor de methoden van informatieverzameling die je in je onderzoek wilt
gebruiken.
Het 1e onderscheid bestaat uit de soort van het onderzoek:
1. Beschrijvend
Onderzoek waarbij je een situatie in kaart wilt brengen. Meestal heb je niet veel
voorkennis. Vorm van kwantitatief onderzoek, vaak een eerste stap in het onderzoek.
Voorbeeld: een bedrijf dat wil weten hoe zijn klantenkring er eigenlijk uitziet en hoe die
klanten het bedrijf beoordelen op bijvoorbeeld aspecten van klanttevredenheid.
2. Exploratief
Onderzoek waarbij je op zoek bent naar verbanden en/ of verklaringen. Je voorkennis is
veelal groter, maar je weet nog niet waarom zaken zijn zoals geconstateerd. Kan zowel
kwantitatief als kwalitatief zijn.
Voorbeeld: een organisatie die wil weten waarom het ziekteverzuim op de afdeling
administratie zoveel hoger is dan op de afdeling verkoop.
3. Toetsend
Onderzoek waarbij je een theorie of verwachting (hypothese) wilt toetsen. In het gebal van
praktijkonderzoek val hieronder ook evaluatieonderzoek. Hierbij wordt onderzocht of een
ingestelde maatregel de gewenste effecten heeft gehad. Wordt meestal gebruik gemaakt
van kwantitatieve methoden