FORENSISCHE GEZINSPEDAGOGIEK - COLLEGE AANTEKENINGEN
2020-2021
College 1: Inleiding in de forensische gezinspedagogiek en de diagnostische cyclus
College 2: Ontwikkelingspsychopathologie (interview)
College 3: Trauma, kindermishandeling en psychopathologie
College 4: Multiprobleemgezinnen en intergenerationele overdracht
College 5: Diagnostiek en mishandeling bij mensen met een verstandelijke beperking
College 6: Jeugdbescherming en diagnostiek bij delinquente jongeren
College 7: Beslisdiagnostiek en cultuursensitieve diagnostiek
Tentaminering: 5 november 2020
Tentamen (70%)
Casus (30%)
→ beide onderdelen moeten voldoende zijn
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
College 1: Inleiding in de forensische gezinspedagogiek en de diagnostische cyclus
Diagnostiek in de forensische context
1. Hoofdstuk 1 t/m 8 uit: De Bruyn, E. E. J., Ruijssenaars, A. J. J. M., Pameijer, N. V., & Van
Aarle, E. J. M. (2003). De diagnostische cyclus: Een praktijkleer. Leuven: Acco.
2. Kamphuis, J. H., & Geurts, H. M. (2006). Gestandaardiseerde diagnostische methoden. In
W. Vandereycken, C. Hoogduin, & P. Emmelkamp (Eds.). Handboek psychopathologie
deel 2, pp. 5- 21. Utrecht: Bohn Stafleu van Loghum.
3. Pritchett, R., Kemp, J., Wilson, P., Minnis, H., Bryce, G., & Gillberg, C. (2011). Quick,
simple measures of family relationships for use in clinical practice and research. A
systematic review. Family Practice, 28, 172-187.
Diagnostiek in de forensische context → kan je breed opvatten, enkele
voorbeelden van vragen:
- is er sprake van kindermishandeling?
- is er sprake van huiselijk geweld?
- Heeft dit kind een ontwikkelingsachterstand?
- Hoe ervaart het kind de scheiding?
- Kan dit kind beter bij zijn vader of moeder wonen? (advies)
- Hoe kan het delictgedrag gestopt worden?
- Etc…
Wat heb je als diagnosticus nodig om goed te kunnen diagnosticeren en het gezin te
helpen?
- inhoudelijke theorieën over psychopathologie (=afwijkende gedragingen die gezien
kunnen worden, bijv. stoornissen)
- kennis over normale en afwijkende ontwikkelingspatronen → zodat je kunt
bepalen wanneer het afwijkend is.
- instrumenten en technieken om gedrag in kaart te brengen → kennis
nodig over instrumenten die beschikbaar zijn.
- statistische en psychometrische technieken om gegevens te kunnen
verwerken → van belang bij klinische vaardigheden
Diagnose
definitie die wij hanteren = diagnose = theorie van het individuele geval → = beschrijving
van hoe zit deze persoon in elkaar.
, 1
En NIET diagnose als classificatie (in categorie onderbrengen → stoornis (DSM-5) is
slechts een verzameling van symptomen. → label uit de DSM-5 op iemand
plakken. Stoornis volgens de DSM-5 is een verzameling van symptomen en nog
geen onderliggende verklaring.
De diagnostische cyclus
KA = klachtanalyse
PA = probleemanalyse
VA = verklaringsanalyse
IA = indicatieanalyse
→ in de praktijk kan het zijn dat je bepaalde stappen overslaat.
→ begint met een aanmelding en samen met de cliënt en het cliëntsysteem ga je
kijken wat is de klacht en de hulpvragen (KA). Vervolgens zet je voor jezelf op
een rijtje → wat zijn overkoepelende thema’s/welke vragen moeten beantwoord
worden? (want in de intake fase ga je in gesprek met school en ouders, enz) → in
deze fase ga je al overstijgend denken als professional met de kennis die je hebt.
Wat zijn de problemen en hoe kan ik die onderverdelen in clusters/categorie
(PA)? Daarna ga je hypothesen opstellen en deze toetsen (VA) en tot slot ga je
bedenken welke interventie zou passend zijn (IA).
Waarom de diagnostische cyclus? → waarom belangrijk?
, 2
- faciliteert onafhankelijk onderzoek → standaardiseert het onderzoek
(iedereen op dezelfde manier) = objectiever onderzoek
-> uitgevoerd door verschillende professionals, dezelfde uitkomst
- Wetenschappelijk onderbouwde diagnostiek is:
-> Hypothesetoetsend → deze onderbouw je (waarom is het passend bij
deze cliënt) en die ga je toetsen.
-> Controleerbaar
-> Herhaalbaar
→ → wetenschappelijk onderbouwd vooral bij de VA.
→ De diagnostische cyclus is onderdeel van een grotere klinische cyclus. Je kan
‘m onderverdelen in 2 delen: diagnostiek en behandeling. De diagnostische
cyclus staat centraal in dit vak.
Aanmelding = startpunt van de diagnostische cyclus
- aanmelder: cliënt, systeem, betrokkenen in kaart brengen → kan iedereen
zijn
- reden van aanmelding → info verzamelen → met de betrokken zoveel
mogelijk in gesprek.
- verwachtingen van aanmelder/cliënt/betrokkenen + hulpvraag achterhalen.
Wat is er volgens de aanmelder aan de hand en is onderzoek (diagnostiek)
nodig? → Want niet altijd is er diagnostiek nodig!!
obv Klachtanalyse kijk je of diagnostiek nodig is.
- intake (doel: verhelderen)
- subjectieve klachten/zorgen in kaart brengen en ordenen: “verhelderende diagnose”
- formuleren van concrete hulpvragen (volgens cliënt) → in cliënt taal (in
overeenstemming met de cliënt ga je na of je de hulpvraag goed hebt
geformuleerd → dus vooral geen professionele termen en lastige taal).
- aandachtspunten: blijf bij interpretatie cliënt en let op ‘confirmation bias’
→ dat je meteen denkt ja dat herken ik, dat zal het wel zijn =/= objectief
Forensische gezinsdiagnostiek
- aanmelder vaak instantie zoals Veilig Thuis, school → dus ook hulpvragen
vanuit instantie
- ‘klachten / problemen’ ziet ouder soms niet → dus je kan
tegenstrijdigheden tegenkomen. Op school bijv een probleem, maar thuis
, 3
niet. Bijv. ouder heeft veel eigen problemen en ziet problemen van kind
niet.
- niet alleen focus op kindgedrag, maar ook op gezin!
Wie is de cliënt? Daarom is het vaak beter om te praten over een cliëntSYSTEEM ipv 1
cliënt. Moeilijk om kind los te zien van z’n context.
Probleemanalyse
- in professionele taal schrijven
- beschrijving en inventarisatie probleemgedrag
- ordening en benoeming (clusters) → bijv: cognitieve problemen,
lichamelijk, emotioneel, sociaal, gezins.
- ernsttaxatie → hoe ernstig zijn de klachten?
NB!! nog geen verklaringen!! maar Wat is er aan de hand? (soort helicopterview: wat zijn de
problemen per cluster?)
Inventarisatie (& classificatie) → materialen die veel gebruikt worden:
Classificatiesystemen: Achenbach vragenlijst
- CBCL en YSR schalen → Child Behaviour Checklist (CBCL) = screeningslijst
die ouders kunnen invullen over een kind. Youth self Report (YSR) =
vergelijkbare lijst, maar wordt door jongeren zelf ingevuld.
- CBCL en YSR zijn DSM georiënteerd
- Kind versus system
Ernsttaxatie: Diagnostische criteria van Rutter (1975) → objectieve criteria om
mate van ernst te bepalen. (zie ook boek de Bruin) → doel: ernsttaxatie
objectiveren.
Weging beschermende of positieve factoren! → er is altijd wel iets dat
beschermend werkt.
- wat gaat er goed? Wanneer is het probleem minder aanwezig?
- kindfactoren (hoog IQ), gezinsfactoren (stabiele ouder), sociaal netwerk?
→ (Bronfenbrenner).
Verklaringsanalyse (meest uitdagende stuk) → puzzelen: hypotheses
opstellen en hypotheses toetsen. Verschillende soorten hypotheses:
- onderkennende hypotheses → clusteren van symptomen op basis van
classificatiesystemen (bv DSM-5) → Je kijkt vooral wat is er aan de hand?
- verklarende hypotheses → hoe is het probleem ontstaan en hoe wordt het
in stand gehouden? → nodig om te weten waarop je moet ingrijpen.
- indicerende hypotheses → hoe kunnen we het probleem aanpakken?
Verklarende onderzoekshypothesen moeten:
- Toetsbaar zijn
- Herhaalbaar zijn
→ → Net als bij wetenschappelijk onderzoek
Onderzoeksmiddelen en toetsingscriteria bepalen