HOORCOLLEGE 1 – INTRODUCTIE
Psychodiagnostiek is een onderzoeks- en oordeelsproces dat als doel heeft te komen tot een
beschrijving, diagnose, verklaring of voorspelling van klachten van een cliënt, of een antwoord te
geven op zijn of haar vragen. Dit gebeurd middels een wetenschappelijk denk- en doe proces,
gebaseerd op empirische kennis.
Diagnostisch proces begint altijd met de aanmelding (cliënt – verwijzer - diagnosticus) en meestal
met een hulpvraag.
Daarbij kom je 5 basisvragen [OVVIE] tegen:
1. Onderkennend: Wat zijn de problemen? Wat lukt niet?
2. Verklaring: Waarom zijn deze problemen er en blijven ze?
3. Voorspelling: Hoe gaan de problemen zich ontwikkelen?
4. Indicatie: Hoe kunnen de problemen worden verholpen?
5. Evaluatie: Heeft de interventie afdoende effect?
Toetsen aan de hand van Hypothese-Toetsend Model (HTM)
- Diagnostische cyclus:
1. Klacht-/vraaganalyse: intakegesprek (vragen client en verwijzer), uitgangspunt voor
onderzoek en diagnostiek (vaak meerdere vragen).
2. Probleem-/situatie/analyse: probleemsituatie in kaart brengen en koppelen aan
empirische kennis en theorie.
3. Diagnosestelling: opstellen (zo nodig opsplitsen) en toetsen van hypothesen (empirisch
toetsbare veronderstellingen) door operationalisatie, methoden (psychologische tests,
observaties, meningen van derden etc.) en integratie van conclusies en hypothesen.
4. Indicatiestelling: opstellen actieplan (beste aanpak) beargumenteerd antwoord hulpvraag
Testen is al eeuwenoud: Keizer van China screening ambtenaren (2200 BC), fysiognomie, frenologie
(1810), psychograph (1931).
Experimentele psychologie: objectieve methode meten menselijke vaardigheden (1880), Wundt 1e
psychologisch lab Leipzig (1879: individuele verschillen/algemene breinwetten), Galton objectief
meten verschillen (1e testbatterij), Cattell meten verschillen, Wissler validatie (geen correlaties), 1901
einde experimentele psychologie/ meten RT en zintuigelijke processen.
Tegelijkertijd in Europa…
1900 nieuw humanisme - mentale achterstand vs. psychiatrische ziekten (mensen werden
niet meer gelijk als heks of dergelijke gezien)
1904 instrument nodig om kinderen te kunnen identificeren die onvoldoende baat hebben
bij
reguliere instructie
1905 Binet’s 1e intelligentietest voor kinderen
1908 aanpassing schalen en mentale leeftijd
1912-1916 Standford-Binet en ontstaan IQ
Geschiedenis in Nederland
1892 1e psychologisch lab in Groningen (Heymans)
1900 leerplichtwet – meten schoolprestaties
1919 vertaling Binet Simon intelligentietest
1924 psychologen in bedrijven oa selectie, marketingondersteuning
Na WOII enorme verspreiding van psychologen en pedagogen binnen de diverse werkvelden
,HOORCOLLEGE 2 – NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK
(Neuro-)Psychologische Diagnostiek: rekening houden met genetica (aanleg), omgeving (context),
gedragskenmerken (DSM), hersen(dis)functies en cognitief functioneren.
- Kennisbronnen: KENNEN kennis over brein (functionele neuroanatomie) en etiologie
(neurologische/ medische/psychische oorzaak) KUNNEN toepassen van kennis is het lastigst
in hypothese-vorming.
Diagnostische cyclus:
Verwijzing klacht Dossier anamnese Hypothesevorming Operationalisatie Interpretatie
1. Verwijzing: verwijzingsvraag is géén vraagstelling (nieuwe onderzoeksvraag waar over
nagedacht is en wetenschappelijk gefundeerd is!!)
2. Klachtanalyse: eerder International Classification of Functioning (ICF) dan psychiatrische
classificatie (DSM): geen oorzaken. Klacht symptoom syndroom
3. Probleemanalyse
4. Oorzaakanalyse
5. Indicatieanalyse
6. Advies
2 soorten vragen diagnostisch (wat), beschrijvend/descriptief (hoe) gebaseerd op 3 aspecten: (1)
cognitief functioneren, (2) gedragsveranderingen, (3) emotionele aspecten.
Informatiebronnen: (hetero-)anamnese, observaties, tests en vragenlijsten
Algemeen Standaard Testgebruik-NIP (AST) onderscheidt psychodiagnostiek en tests (diagnose
ondersteunend, niet vervangend), beschrijft gebruik testen en rapportages en verwijst naar Commissie
Test Aangelegenheden Nederland (COTAN) voor testkeuze (beoordeling testconstructie, uitvoering
handleiding, testmateriaal, betrouwbaarheid validiteit, beschikbaarheid normen). Neuropsychologen
soms niet eens met COTAN, denken anders over bepaalde regels (eisen normgroep N=300) voor
sommige testen te veel.
Anamnese: doornemen medisch dossier, intakegesprek (interview: klachten, aandoening,
medicatiegebruik, persoonlijke achtergrond, familie, genetische aspecten, opleiding, arbeidsverleden,
loopbaan, vrije tijd, dagindeling, woonsituatie, sociale situatie etc.), heteroanamnese, gestructureerde
vragenlijsten (inschatting premorbide functioneren).
Gedragsobservaties: directe observaties, informele observaties in kader van onderzoek, formele
observaties tijdens tests zoals (in)consistente prestaties (werkhouding/werkwijze/motivatie), sociaal
emotionele reacties, beperkingen/stoorfactoren onderzoek, pathognomische kenmerken
(neuropsychologisch), indirecte observaties, beweringen, observaties van anderen/ voorbeeldgedrag.
Testselectie en onderzoeksamenstelling afhankelijk van;
(1) onderzoeksdoel en structuur
(2) validiteit, betrouwbaarheid, en normering tests
(3) sensitiviteit, specificiteit, predictieve waarde (voorspellende kans bestaan stoornis)
(4) parallelvormen
(5) tijd en kosten (psychologisch onderzoek duurt lang)
(6) papier en potlood (conventionele taken)/ computerondersteunde tests
(7) patiënt-kenmerken (neuropsychologische hersenbeschadiging, gevolgen, geslacht etc.)
(8) beschikbaarheid tests, voorkeur onderzoeker
, (9) tests vs. testbatterijen
Neuropsychologische testbatterij
- Intelligentie
- Taal
o Expressieve taal;
Communicatieve vaardigheid
Benoemen
Vloeiendheid
o Receptieve taal: de patiënt hoeft niets te zeggen. De test-afnemer zegt bijvoorbeeld;
Raak met je rechter hand de tafel aan. En de cliënt moet dat dan doen
Als er een zwarte cirkel is, raak dan de groene driehoek aan.
o Fonematische, semantische, syntactische aspecten
- Aandacht en concentratie (aandacht is zo een basale functie dat deze heel lastig te meten is).
o Reactietijden
o Gerichte aandacht
o Volgehouden aandacht
o Verdeelde aandacht
- Waarneming
o Visueel, auditief, tactiel, etc.
o Links-rechtsverschillen
- Ruimtelijke en constructieve vaardigheden
o Oriëntatie; ruimtelijk inzicht, topografisch, eigen lichaam, links-rechts oriëntatie
o Visuomotorische constructie; puzzels, tekenen
- Uitvoering en planning
o Fijne en grove motoriek
o Gebaren
o Planning, flexibiliteit, zelfregulatie
- Schoolse vaardigheden: lezen, rekenen etc.
- Emotionele status / persoonlijkheid / stemming / welbevinden / coping
Testen:
- WAIS-IV meet intelligentie (meest gebruikt in neuropsychologische diagnostiek)
o Cijferreeksen, rekenen, letterreeksen: verbaal werkgeheugen (KTG)
- Wechsler Memory Scale (WMS)-IV: werkgeheugenindex voor niet-verbale informatie.
- 15-Woordentest: verbaal episodisch leren
- Rivermead Behavioural Memory Test: allerdaags geheugen
- Akense Afasie Test: mate van taalstoornis
- Behavioral Assessment of the Dysexecutive Syndrome (BADS): alledaags
probleemoplossend gedrag
o 6 subtests:
Dierentuinplattegrond: plannen (executief vermogen)
Water in bakje met kurk
o Voordeel: 20-item vragenlijst verbanden executieve vaardigheden (emotie,
persoonlijkheid) door patiënt en/of direct betrokkene (partner, werkgever etc.)
o BADS-c; BADS voor kinderen.
o Meetpretentie vs. stoorfactoren: voor uitvoeren moet je meer dan alleen de
testvaardigheid hebben. Ook: waarneming, aandacht, werkgeheugen (weten waar je
bent, stap voor stap uit kunnen voeren), instructiebegrip, visuele kennis, conceptuele
kennis (weten dat kurk op water drijft), handelingen.
o Testscore: goed bewijs dat goed gaat, maar slecht niet dat het slecht gaat (storingen).