Arbeidsrecht – stof tentamen
Dinsdag 15 maart 17.30-21.00 uur
Hogeschool Leiden
College 1 – introductie arbeidsovereenkomst
Literatuur:
o Hoofdstuk 1 en 2 van C.J. Loonstra
Leerdoelen:
o de kenmerken van een arbeidsovereenkomst benoemen;
o de arbeidsovereenkomst onderscheiden van de overeenkomst van opdracht en de
overeenkomst van aanneming van werk;
o flexibele arbeidsrelaties onderscheiden;
o de wetgevingssystematiek herkennen in een wetsartikel en deze toepassen op casuïstiek;
o de toepasselijkheid van het uitzendbeding beoordelen;
o inschatten in welke fase van de ABU-cao een werknemer zich bevindt.
Drie manieren van werken:
- Arbeidsovereenkomst = art. 7:610 BW. Op kantoor werken voor zoveel uur per week.
Belangrijk is het GEZAG.
- Overeenkomst van opdracht = art. 7:400 BW. Werkzaamheden niet stoffelijk van aard.
Bijvoorbeeld de accountant, de belastingadviseur etc.
- Overeenkomst tot aanneming van werk = art. 7:750 BW. Bijvoorbeeld een schilder of een
timmerman die langskomt. Hij maakt echt stoffelijk werk.
Jurisprudentie = HR Groen/Schoevers
Partijbedoeling/feitelijke uitvoering/maatschappelijke positie.
Flexibele arbeid – art. 7:628a BW
Oproepovereenkomst: minimale loonaanspraak en minimale oproep- en afzeg-termijn.
Voorovereenkomst = de overeenkomst waarbij je als oproepkracht de bevoegdheid hebt
om een oproep te weigeren.
Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP) = er staat in het
oproepcontract dat je geen oproep mag weigeren, je moet verschijnen als je wordt
opgeroepen.
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd = art. 7:667 BW
Uitzendkracht/detachering = 7:690 BW
Verschillend soorten bepalingen:
Dwingend recht = er mag niet of niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken van de
wet! art. 7:616f BW (nietig)
Driekwartdwingend recht = kan uitsluitend van worden afgeweken bij een cao of een bij een
regeling door/namens een bestuursorgaan. Art. 7:628 lid 7 BW –
Semidwingend recht = kan afgeweken van worden bij uitsluitend een schriftelijke
overeenkomst. Er wordt gezwegen in het artikel over afwijking. Art. 7:628 lid 5 BW.
Aanvullend recht = afwijken staat vrij.
, Uitzendovereenkomst = een driehoeksverhouding
Opdrachtovereenkomst
Art. 7:400 BW
Uitzendbureau Opdrachtgever
(uitlener) (inlener)
Puur feitelijke overeenkomst
Arbeidsovereenkomst
Art. 7:690 BW
Werknemer
(uitzendkracht)
College 2 – CAO, collectieve acties en medezeggenschap
Literatuur:
o Hoofdstuk 6, 7 en 8 van C.J. Loonstra
Leerdoelen:
Beoordelen wanneer een cao van toepassing is op een arbeidsovereenkomst;
Verschillende soorten cao's en cao-bepalingen onderscheiden;
Bepalen wanneer er van een cao kan worden afgeweken;
Toetsen of een staking rechtmatig is en wanneer er al dan niet recht is op loondoorbetaling;
Beoordelen wanneer een ondernemingsraad dient te worden ingesteld;
Bepalen wanneer een besluit instemmings- of advies plichtig is;
De twee in de WOR genoemde geschillenregelingen toepassen.
CAO = Collectieve Arbeidsovereenkomst, kernpunten zijn:
Onderscheid tussen ondernemings- en bedrijfstak-cao
In beginsel maximaal 5 jaar
Werkgevers KUNNEN, werknemers MOETEN georganiseerd zijn (let op statuten van artikel 2
WCAO). Met andere woorden, werknemers moeten altijd een vereniging hebben die namens hen
onderhandelt over de arbeidsvoorwaarden.
Twee soorten cao’s
1. Ondernemings cao = Philips, Rabobank, ING
2. Bedrijfstak (branche) cao = bouw, transport- en logistiek
ABU-Cao = na fase A dient fase B aan en dan fase C.
Fase A = 78 weken, moet worden afgesproken door de CAO, driekwartdwingend recht.
Fase B = bepaalde tijdcontracten van 48 maanden of maximaal 6 contracten.
Fase C = onbepaalde tijd contract.
Zie ook art. 7:691 lid 1 jo. Lid 8 sub a BW en 7:668a BW arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd.
Dinsdag 15 maart 17.30-21.00 uur
Hogeschool Leiden
College 1 – introductie arbeidsovereenkomst
Literatuur:
o Hoofdstuk 1 en 2 van C.J. Loonstra
Leerdoelen:
o de kenmerken van een arbeidsovereenkomst benoemen;
o de arbeidsovereenkomst onderscheiden van de overeenkomst van opdracht en de
overeenkomst van aanneming van werk;
o flexibele arbeidsrelaties onderscheiden;
o de wetgevingssystematiek herkennen in een wetsartikel en deze toepassen op casuïstiek;
o de toepasselijkheid van het uitzendbeding beoordelen;
o inschatten in welke fase van de ABU-cao een werknemer zich bevindt.
Drie manieren van werken:
- Arbeidsovereenkomst = art. 7:610 BW. Op kantoor werken voor zoveel uur per week.
Belangrijk is het GEZAG.
- Overeenkomst van opdracht = art. 7:400 BW. Werkzaamheden niet stoffelijk van aard.
Bijvoorbeeld de accountant, de belastingadviseur etc.
- Overeenkomst tot aanneming van werk = art. 7:750 BW. Bijvoorbeeld een schilder of een
timmerman die langskomt. Hij maakt echt stoffelijk werk.
Jurisprudentie = HR Groen/Schoevers
Partijbedoeling/feitelijke uitvoering/maatschappelijke positie.
Flexibele arbeid – art. 7:628a BW
Oproepovereenkomst: minimale loonaanspraak en minimale oproep- en afzeg-termijn.
Voorovereenkomst = de overeenkomst waarbij je als oproepkracht de bevoegdheid hebt
om een oproep te weigeren.
Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP) = er staat in het
oproepcontract dat je geen oproep mag weigeren, je moet verschijnen als je wordt
opgeroepen.
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd = art. 7:667 BW
Uitzendkracht/detachering = 7:690 BW
Verschillend soorten bepalingen:
Dwingend recht = er mag niet of niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken van de
wet! art. 7:616f BW (nietig)
Driekwartdwingend recht = kan uitsluitend van worden afgeweken bij een cao of een bij een
regeling door/namens een bestuursorgaan. Art. 7:628 lid 7 BW –
Semidwingend recht = kan afgeweken van worden bij uitsluitend een schriftelijke
overeenkomst. Er wordt gezwegen in het artikel over afwijking. Art. 7:628 lid 5 BW.
Aanvullend recht = afwijken staat vrij.
, Uitzendovereenkomst = een driehoeksverhouding
Opdrachtovereenkomst
Art. 7:400 BW
Uitzendbureau Opdrachtgever
(uitlener) (inlener)
Puur feitelijke overeenkomst
Arbeidsovereenkomst
Art. 7:690 BW
Werknemer
(uitzendkracht)
College 2 – CAO, collectieve acties en medezeggenschap
Literatuur:
o Hoofdstuk 6, 7 en 8 van C.J. Loonstra
Leerdoelen:
Beoordelen wanneer een cao van toepassing is op een arbeidsovereenkomst;
Verschillende soorten cao's en cao-bepalingen onderscheiden;
Bepalen wanneer er van een cao kan worden afgeweken;
Toetsen of een staking rechtmatig is en wanneer er al dan niet recht is op loondoorbetaling;
Beoordelen wanneer een ondernemingsraad dient te worden ingesteld;
Bepalen wanneer een besluit instemmings- of advies plichtig is;
De twee in de WOR genoemde geschillenregelingen toepassen.
CAO = Collectieve Arbeidsovereenkomst, kernpunten zijn:
Onderscheid tussen ondernemings- en bedrijfstak-cao
In beginsel maximaal 5 jaar
Werkgevers KUNNEN, werknemers MOETEN georganiseerd zijn (let op statuten van artikel 2
WCAO). Met andere woorden, werknemers moeten altijd een vereniging hebben die namens hen
onderhandelt over de arbeidsvoorwaarden.
Twee soorten cao’s
1. Ondernemings cao = Philips, Rabobank, ING
2. Bedrijfstak (branche) cao = bouw, transport- en logistiek
ABU-Cao = na fase A dient fase B aan en dan fase C.
Fase A = 78 weken, moet worden afgesproken door de CAO, driekwartdwingend recht.
Fase B = bepaalde tijdcontracten van 48 maanden of maximaal 6 contracten.
Fase C = onbepaalde tijd contract.
Zie ook art. 7:691 lid 1 jo. Lid 8 sub a BW en 7:668a BW arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd.