Domein E: leefomgeving
6.1 Wateroverlast: rivieren en gevaren
6.2 Wateroverlast: maatregelen en beleid tegen wateroverlast
6.3 Stedelijke gebieden: Ruimtelijke en sociaaleconomische vraagstukken in steden
6.4 Stedelijke gebieden: Leefbaarheid in de steden verbeteren
10 doelen (wat moet je kunnen?)
1. Kenmerken van de stroomgebieden van de Rijn en de Maas beschrijven.
2. De invloed van het veranderende klimaat en menselijke ingrepen op de
waterafvoer van de Rijn en de Maas beschrijven.
3. Het overstromingsgevaar relateren aan ruimtelijke inrichting, zowel binnen- als
buitendijks.
4. Beschrijven hoe in het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke delta’s risico’s
kunnen ontstaan op overstromingen en wateroverlast.
5. Het integraal waterbeleid dat in Nederland wordt gevoerd beschrijven en
beoordelen.
6. Het recent Nederlands en internationaal rivierbeleid beschrijven en beoordelen.
7. Het aanleggen van strategische zoetwatervoorraden beschrijven en beoordelen.
8. Stedelijke vraagstukken analyseren en beoordelen, in het bijzonder rond de
stedelijke economie.
9. Het stedelijk beleid richt zich op wijken en buurten beoordelen.
10. Een buurtprofiel van een stedelijke buurt omschrijven aan de hand van fysiek
ruimtelijke en sociale elementen en beargumenteerde uitspraken doen over de
leefbaarheid.
, Hoofdstuk 6
6.1 Wateroverlast: rivieren en gevaren
Onderdelen rivier:
● Het stroomgebied is het gebied waar elke waterdruppel terechtkomt dat niet
verdampt.
● Tussen twee rivieren is de waterscheiding.
Onderdelen stroomgebied:
1. Bovenloop: stijl, smal, water loopt snel dus veel erosie (stenen en rotsen)
2. Middenloop (grint en zand)
3. Benedenloop: vlak, breed, het water stroomt langzaam dus veel sedimentatie,
veel meandering (zand en klei)
Regiem = de totale hoeveelheid water die een rivier op een bepaald punt afvoert. (Bv de
gemiddelde afvoer bij de monding van de Rijn is 2300 m3 per seconde.)
Debiet = het verschil in waterafvoer van een rivier gedurende het jaar. (In de zomer is er
meer verdamping en minder neerslag dus voert de rivier minder af.)
Neerslagregiem = het water dat uiteindelijk van boven door regen in de rivir terechtkomt.
(door klimaatverandering zal er meer neerslag gaan vallen en onregelmatiger → het
debiet wordt dan dus groter en het regiem onregelmatiger)
Verval = A in meters (oftewel: verval is
hoeveel het bootje daalt)
Verhang = A gedeeld door B in meter per
kilometer (oftewel: verhang is hoeveel het
bootje daalt per kilometer)
Natuurlijke rivieren meanderen.
Aan de binnenkant van een bocht van de rivier vindt geen erosie plaats, daar is juist veel
sedimentatie. De snelste stroom veroorzaakt erosie en de langzaamste stroom veroorzaakt
sedimentatie
Het dwarsprofiel van een rivier met de verschillende onderdelen:
6.1 Wateroverlast: rivieren en gevaren
6.2 Wateroverlast: maatregelen en beleid tegen wateroverlast
6.3 Stedelijke gebieden: Ruimtelijke en sociaaleconomische vraagstukken in steden
6.4 Stedelijke gebieden: Leefbaarheid in de steden verbeteren
10 doelen (wat moet je kunnen?)
1. Kenmerken van de stroomgebieden van de Rijn en de Maas beschrijven.
2. De invloed van het veranderende klimaat en menselijke ingrepen op de
waterafvoer van de Rijn en de Maas beschrijven.
3. Het overstromingsgevaar relateren aan ruimtelijke inrichting, zowel binnen- als
buitendijks.
4. Beschrijven hoe in het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke delta’s risico’s
kunnen ontstaan op overstromingen en wateroverlast.
5. Het integraal waterbeleid dat in Nederland wordt gevoerd beschrijven en
beoordelen.
6. Het recent Nederlands en internationaal rivierbeleid beschrijven en beoordelen.
7. Het aanleggen van strategische zoetwatervoorraden beschrijven en beoordelen.
8. Stedelijke vraagstukken analyseren en beoordelen, in het bijzonder rond de
stedelijke economie.
9. Het stedelijk beleid richt zich op wijken en buurten beoordelen.
10. Een buurtprofiel van een stedelijke buurt omschrijven aan de hand van fysiek
ruimtelijke en sociale elementen en beargumenteerde uitspraken doen over de
leefbaarheid.
, Hoofdstuk 6
6.1 Wateroverlast: rivieren en gevaren
Onderdelen rivier:
● Het stroomgebied is het gebied waar elke waterdruppel terechtkomt dat niet
verdampt.
● Tussen twee rivieren is de waterscheiding.
Onderdelen stroomgebied:
1. Bovenloop: stijl, smal, water loopt snel dus veel erosie (stenen en rotsen)
2. Middenloop (grint en zand)
3. Benedenloop: vlak, breed, het water stroomt langzaam dus veel sedimentatie,
veel meandering (zand en klei)
Regiem = de totale hoeveelheid water die een rivier op een bepaald punt afvoert. (Bv de
gemiddelde afvoer bij de monding van de Rijn is 2300 m3 per seconde.)
Debiet = het verschil in waterafvoer van een rivier gedurende het jaar. (In de zomer is er
meer verdamping en minder neerslag dus voert de rivier minder af.)
Neerslagregiem = het water dat uiteindelijk van boven door regen in de rivir terechtkomt.
(door klimaatverandering zal er meer neerslag gaan vallen en onregelmatiger → het
debiet wordt dan dus groter en het regiem onregelmatiger)
Verval = A in meters (oftewel: verval is
hoeveel het bootje daalt)
Verhang = A gedeeld door B in meter per
kilometer (oftewel: verhang is hoeveel het
bootje daalt per kilometer)
Natuurlijke rivieren meanderen.
Aan de binnenkant van een bocht van de rivier vindt geen erosie plaats, daar is juist veel
sedimentatie. De snelste stroom veroorzaakt erosie en de langzaamste stroom veroorzaakt
sedimentatie
Het dwarsprofiel van een rivier met de verschillende onderdelen: