Natuurkunde SE 2 vwo 5
Formules H5
A=N+Z
- A = het totaal aantal kerndeeltjes (het massagetal)
- N = het aantal neutronen in de kern
- Z = het aantal protonen in de kern (het atoomnummer)
A
X
Z
- X = het symbool van het element (de soort stof)
∆N
Agem = -
∆t
- Agem = de gemiddelde activiteit in becquerel (Bq)
- -∆ N = het aantal vervallen moeder kernen
- ∆ t = de verstreken tijd (s)
dN
A=-
dt
- A = de activiteit op tijdstip t in becquerel (Bq)
dN
- = de afgeleide van N op tijdstip t
dt
t
t 1/2
1
N = No ( 2 )
- N = het aantal moederkernen na t seconden
- No = het aantal moederkernen op tijdstip t = 0 s
t
t 1/2
1
A = Ao ( 2 )
- A = de activiteit op tijdstip t in becquerel (Bq)
- Ao = de activiteit op tijdstip t = 0 s
- t = de tijd in seconde
- t1/2 = de halveringstijd in seconde
¿2
- A= xN
t 1/2
- A = de activiteit in Bq
- In 2 = de natuurlijke logaritme van 2
- t ½ = de halveringstijd in seconde (s0
, - N = het aantal instabiele kernen
10.1
Lichtsnelheid = de snelheid waarmee licht een elektromagnetische straling zich voortplanten
Frequentie = hoe vaak iets voorkomt
Golflengte = lengte van een golf
Elektromagnetisch spectrum (em-spectrum) = alle elektromagnetische golven samen (19B)
Energie = arbeid verrichten (verwarmen of licht bijvoorbeeld)
Gamma straling γ = grootste energie en hoogste frequentie (sterkste)
6 categorieën van het spectrum = radiogolven, infrarood, zichtbaar licht, ultraviolet, röntgenstraling en
gammastraling (microgolven als 7e)
Verband tussen golflengte en frequent
c=fx γ
- c = lichtsnelheid 2,99792 x 108 ms-1 (7A)
- f = frequentie in hertz (Hz)
- γ = golflengte in meter (m)
Fotonen = kleinste mogelijke pakketjes stralingsenergie van een elektromagnetische golf dat geen massa
heeft en altijd de lichtsnelheid heeft
Hoe groter de frequentie, hoe groter de energie (recht evenredig)
Ef = h x f
- Ef = energie van het foton in joule (J)
- h = constante van Planck in joule seconde = 6,62607 x 10 -34 Js (7A)
- f = frequentie i hertz (Hz)
elektroncolt (Ev) = energie van ioniserende straling
J -> Ev = J : 1,602176565 x 10-19 Jev-1 (Binas 5)
Ioniseren = als de energie van de fotonen groot genoeg is, er botst dan één foton met een elektron van een
atoom, het atoom verliest dan zijn elektron
Geen ioniserend vermogen = straling met een kleinere energie dan uv-straling
Absorptie = deels tegenhouden van röntgenstraling
Transmissie = de straling die door de stof heen gaat
Halveringsdikte = hoeveel straling er door een stof heengaat (Binas 28F)
d
1 -----
I = Io ---- d1/2
2
- I = stralingsintensiteit na afstand d door een materiaal (W/m²)
- Io = oorspronkelijke intensiteit (W/m²) (kan ook in %, maar dan is I ook in %)
- d = dikte van de stof in meter (m) of in centimeter (cm)
- d1/2 = halveringsdikte (zelfde eenheid als d)
algemeen = d1/2 neemt toe als de fotonenenergie groter wordt
algemeen = hoe groter de massadichtheid hoe lager het doordringen vermogen
röntgenstraling = fotonen hebben een zwak ioniserend vermogen, maar hoog doordringend vermogen
- botten houden het beter tegen dan weefstel, waardoor er kleurverschil ontstaat.
Contravloeistof absorbeert röntgenstraling (Binas 29)
Formules H5
A=N+Z
- A = het totaal aantal kerndeeltjes (het massagetal)
- N = het aantal neutronen in de kern
- Z = het aantal protonen in de kern (het atoomnummer)
A
X
Z
- X = het symbool van het element (de soort stof)
∆N
Agem = -
∆t
- Agem = de gemiddelde activiteit in becquerel (Bq)
- -∆ N = het aantal vervallen moeder kernen
- ∆ t = de verstreken tijd (s)
dN
A=-
dt
- A = de activiteit op tijdstip t in becquerel (Bq)
dN
- = de afgeleide van N op tijdstip t
dt
t
t 1/2
1
N = No ( 2 )
- N = het aantal moederkernen na t seconden
- No = het aantal moederkernen op tijdstip t = 0 s
t
t 1/2
1
A = Ao ( 2 )
- A = de activiteit op tijdstip t in becquerel (Bq)
- Ao = de activiteit op tijdstip t = 0 s
- t = de tijd in seconde
- t1/2 = de halveringstijd in seconde
¿2
- A= xN
t 1/2
- A = de activiteit in Bq
- In 2 = de natuurlijke logaritme van 2
- t ½ = de halveringstijd in seconde (s0
, - N = het aantal instabiele kernen
10.1
Lichtsnelheid = de snelheid waarmee licht een elektromagnetische straling zich voortplanten
Frequentie = hoe vaak iets voorkomt
Golflengte = lengte van een golf
Elektromagnetisch spectrum (em-spectrum) = alle elektromagnetische golven samen (19B)
Energie = arbeid verrichten (verwarmen of licht bijvoorbeeld)
Gamma straling γ = grootste energie en hoogste frequentie (sterkste)
6 categorieën van het spectrum = radiogolven, infrarood, zichtbaar licht, ultraviolet, röntgenstraling en
gammastraling (microgolven als 7e)
Verband tussen golflengte en frequent
c=fx γ
- c = lichtsnelheid 2,99792 x 108 ms-1 (7A)
- f = frequentie in hertz (Hz)
- γ = golflengte in meter (m)
Fotonen = kleinste mogelijke pakketjes stralingsenergie van een elektromagnetische golf dat geen massa
heeft en altijd de lichtsnelheid heeft
Hoe groter de frequentie, hoe groter de energie (recht evenredig)
Ef = h x f
- Ef = energie van het foton in joule (J)
- h = constante van Planck in joule seconde = 6,62607 x 10 -34 Js (7A)
- f = frequentie i hertz (Hz)
elektroncolt (Ev) = energie van ioniserende straling
J -> Ev = J : 1,602176565 x 10-19 Jev-1 (Binas 5)
Ioniseren = als de energie van de fotonen groot genoeg is, er botst dan één foton met een elektron van een
atoom, het atoom verliest dan zijn elektron
Geen ioniserend vermogen = straling met een kleinere energie dan uv-straling
Absorptie = deels tegenhouden van röntgenstraling
Transmissie = de straling die door de stof heen gaat
Halveringsdikte = hoeveel straling er door een stof heengaat (Binas 28F)
d
1 -----
I = Io ---- d1/2
2
- I = stralingsintensiteit na afstand d door een materiaal (W/m²)
- Io = oorspronkelijke intensiteit (W/m²) (kan ook in %, maar dan is I ook in %)
- d = dikte van de stof in meter (m) of in centimeter (cm)
- d1/2 = halveringsdikte (zelfde eenheid als d)
algemeen = d1/2 neemt toe als de fotonenenergie groter wordt
algemeen = hoe groter de massadichtheid hoe lager het doordringen vermogen
röntgenstraling = fotonen hebben een zwak ioniserend vermogen, maar hoog doordringend vermogen
- botten houden het beter tegen dan weefstel, waardoor er kleurverschil ontstaat.
Contravloeistof absorbeert röntgenstraling (Binas 29)