10.2;
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie, een verandering in een gen in het DNA.
Hierdoor ontstaat een genvariant; een allel. Veel mutaties verlagen de overlevingskans van
het organismen. Soms leiden combinaties van mutaties tot het ontstaan van nieuwe
eigenschappen: het fenotype van het organisme verandert—> evolutie: de ontwikkeling van
soorten
Allelffrequentie; de procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de
populatie.
Puntmutatie: verandering in één base. Het kan leiden tot een nieuwe allel, dat een eiwit
levert met een andere bouw of activiteit.
Chromosoommutaties: een verandering groter dan een base; stukken DNA kunnen
verdwijnen, verdubbelen of omkeren.
Genoommutatie: een verandering in het aantal chromosomen.
Mutaties zijn meestal schadelijk voor het organisme wanneer ze in grote aantallen
cellen terechtkomen, of voor de nakomelingen als de mutaties via de
voortplantingscellen in de nakomelingen terechtkomen.
Als een cel bij een mitose geen trekdraden vormt, kunnen tetraploïde(4n) cellen ontstaan.
Beide ouders geven de helft van hun chromosomen. Deze recombinatie van
chromosomen en allelen geeft de nakomelingen allerlei combinaties aan eigenschappen die
niet bij de ouders voorkomen. Binnen een populatie geeft geslachtelijke voortplanting
meestal genetische variatie. Al de allelen in een populatie samen; noem je de genenpool
van een populatie.
De allelfrequentie van een allel voor een eigenschap waardoor je een groter
voortplantingssucces hebt, neemt met elke volgende generatie toe. In nieuwe omgevingen
raakt de populatie aangepast aan de omgeving—> adaptatie van de populatie. Doordat de
natuur constant verandert, stopt de adaptatie van een populatie nooit.
In omgekeerde situaties is de invloed van het milieu, de selectiedruk, zo groot dat
organismen met minder gunstige eigenschappen sterven.
Fitness; de mate waarin de eigenschappen bijdragen aan voortplantingssucces—>
In de populatie neemt de allelfrequentie van allelen met een hoge fitness toe met elke
generatie.
Genetic drift: door toeval ontstaan bepaalde veranderingen in allelfrequentie. Hoe kleiner de
populatie, hoe groter het effect. Het effect ervan is onvoorspelbaar.
Selectie in een populatie op allelen die wel meer voortplantingssucces opleveren, maar niet
bijdragen aan een groot overlevingsucces van een individu heet seksuele selectie.
kunstmatige selectie—> gericht op eigenschappen die voor mensen aantrekkelijk
zijn.
Allerlei factoren, zoals erfelijkheid en omgeving, bepalen welke individuen het langst
overleven en de meeste nakomelingen krijgen—> natuurlijke selectie.
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie, een verandering in een gen in het DNA.
Hierdoor ontstaat een genvariant; een allel. Veel mutaties verlagen de overlevingskans van
het organismen. Soms leiden combinaties van mutaties tot het ontstaan van nieuwe
eigenschappen: het fenotype van het organisme verandert—> evolutie: de ontwikkeling van
soorten
Allelffrequentie; de procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de
populatie.
Puntmutatie: verandering in één base. Het kan leiden tot een nieuwe allel, dat een eiwit
levert met een andere bouw of activiteit.
Chromosoommutaties: een verandering groter dan een base; stukken DNA kunnen
verdwijnen, verdubbelen of omkeren.
Genoommutatie: een verandering in het aantal chromosomen.
Mutaties zijn meestal schadelijk voor het organisme wanneer ze in grote aantallen
cellen terechtkomen, of voor de nakomelingen als de mutaties via de
voortplantingscellen in de nakomelingen terechtkomen.
Als een cel bij een mitose geen trekdraden vormt, kunnen tetraploïde(4n) cellen ontstaan.
Beide ouders geven de helft van hun chromosomen. Deze recombinatie van
chromosomen en allelen geeft de nakomelingen allerlei combinaties aan eigenschappen die
niet bij de ouders voorkomen. Binnen een populatie geeft geslachtelijke voortplanting
meestal genetische variatie. Al de allelen in een populatie samen; noem je de genenpool
van een populatie.
De allelfrequentie van een allel voor een eigenschap waardoor je een groter
voortplantingssucces hebt, neemt met elke volgende generatie toe. In nieuwe omgevingen
raakt de populatie aangepast aan de omgeving—> adaptatie van de populatie. Doordat de
natuur constant verandert, stopt de adaptatie van een populatie nooit.
In omgekeerde situaties is de invloed van het milieu, de selectiedruk, zo groot dat
organismen met minder gunstige eigenschappen sterven.
Fitness; de mate waarin de eigenschappen bijdragen aan voortplantingssucces—>
In de populatie neemt de allelfrequentie van allelen met een hoge fitness toe met elke
generatie.
Genetic drift: door toeval ontstaan bepaalde veranderingen in allelfrequentie. Hoe kleiner de
populatie, hoe groter het effect. Het effect ervan is onvoorspelbaar.
Selectie in een populatie op allelen die wel meer voortplantingssucces opleveren, maar niet
bijdragen aan een groot overlevingsucces van een individu heet seksuele selectie.
kunstmatige selectie—> gericht op eigenschappen die voor mensen aantrekkelijk
zijn.
Allerlei factoren, zoals erfelijkheid en omgeving, bepalen welke individuen het langst
overleven en de meeste nakomelingen krijgen—> natuurlijke selectie.