Inhoudsopgave
KT2:...................................................................................................................................................2
Casus 1 CGO........................................................................................................................................2
Casus 1 afpf........................................................................................................................................4
Casus 2 cgo.........................................................................................................................................6
Casus 2 vtv..........................................................................................................................................8
Casus 2 afpf......................................................................................................................................11
Casus 3 cgo.......................................................................................................................................15
Casus 3 vtv........................................................................................................................................16
Casus 3 afpf......................................................................................................................................18
Casus 3 oo-b: sociologie....................................................................................................................26
Casus 3 oo-c: onderzoekend vermogen.............................................................................................26
Casus 4 cgo.......................................................................................................................................27
Casus 4 vtv........................................................................................................................................30
Casus 4 afpf......................................................................................................................................31
Casus 4 oo-b: psychologie en sociologie...........................................................................................36
Casus 5 cgo.......................................................................................................................................37
Casus 5 vtv........................................................................................................................................38
Casus 5 afpf......................................................................................................................................40
Casus 5 oo-b: stigmatisering.............................................................................................................46
Casus 6 cgo.......................................................................................................................................47
Casus 6 vtv........................................................................................................................................50
Casus 6 afpf......................................................................................................................................50
Casus 6 oo-b: sociologie....................................................................................................................53
Casus 7 cgo.......................................................................................................................................54
Casus 7 vtv........................................................................................................................................57
Casus 7 afpf......................................................................................................................................58
Casus 7 oo-b: voedingsleer...............................................................................................................63
Casus 7 oo-c: onderzoekend vermogen.............................................................................................65
Casus 8 cgo.......................................................................................................................................66
Casus 8 afpf......................................................................................................................................68
Casus 8 oo-b: ethiek..........................................................................................................................73
,KT2:
CASUS 1 CGO
Student kan globaal de ontwikkeling van de verpleegkundige professionaliteit
benoemen.
o Historische context: De verpleegkunde heeft zich ontwikkeld van een voornamelijk
zorgende rol naar een zelfstandige en professionele discipline met een eigen
kennisbasis en vaardigheden
o Opleiding en registratie: De invoering van hbo-opleidingen en specialisaties heeft
geleid tot een grotere erkenning van verpleegkundigen als professionals
o Wetgeving en richtlijnen: De Wet BIG en andere richtlijnen hebben de
verantwoordelijkheden en bevoegdheden van verpleegkundigen verduidelijkt en
versterkt
Student kan de inhoud van de rollen en verantwoordelijkheden van de
(wijk)verpleegkundige van de 21ste eeuw benoemen.
o Zorgverlener: Verantwoordelijk voor het bieden van directe zorg en ondersteuning
aan cliënten
o Coördinator: Coördineert zorgprocessen en werkt samen met andere
zorgprofessionals
o Educator: Voorlichtings- en educatierol voor cliënten en hun families over gezondheid
en ziekte
o Advocaat: Behartigt de belangen van cliënten binnen het zorgsysteem
o Preventie en gezondheidsbevordering: Actief betrokken bij het bevorderen van
gezondheid en het voorkomen van ziekte
Student kan benoemen welke niveaus binnen de verpleegkunde bestaan en wat de
verschillen zijn.
o Verpleegkundige niveau 4 (mbo): Basiszorg en ondersteuning, vaak in de thuiszorg of
verpleeghuis
o Verpleegkundige niveau 5 (hbo): Verantwoordelijk voor complexe zorgsituaties,
coördinatie van zorg, en educatie
o Specialistische verpleegkundige: Verpleegkundigen met aanvullende opleidingen,
zoals verpleegkundig specialist of verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg
o Management en beleid: Verpleegkundigen die zich bezighouden met
zorgmanagement, beleid en kwaliteitsverbetering
Student kan de begrippen zelfmanagement en shared decision making uitleggen.
o Zelfmanagement:
Definitie: Het vermogen van een individu om zijn of haar gezondheid te beheren,
inclusief het maken van keuzes over zorg en behandeling
Aspecten: Betrokkenheid bij zorgprocessen, kennis van de eigen
gezondheidstoestand, en het nemen van verantwoordelijkheid voor eigen
gezondheid
o Shared decision making:
, Definitie: Een proces waarin zorgverleners en cliënten samen beslissingen nemen
over de zorg en behandeling, gebaseerd op de voorkeuren en waarden van de
cliënt
Belang: Versterkt de betrokkenheid van de cliënt en kan leiden tot betere
gezondheidsuitkomsten
De student kan benoemen wat het verschil is tussen zelfredzaamheid, zelfmanagement
en eigen regie.
o Zelfredzaamheid: Het vermogen om zelfstandig te functioneren in het dagelijks leven,
inclusief het maken van keuzes en het oplossen van problemen
o Zelfmanagement: Het proces waarbij individuen hun eigen gezondheid en welzijn
actief beheren, vaak in samenwerking met zorgverleners
o Eigen regie: Het nemen van controle over de eigen leven en zorg, waarbij de cliënt de
regie heeft over beslissingen die hen aangaan
o Verschillen: Zelfredzaamheid richt zich meer op de praktische uitvoering in het
dagelijks leven, terwijl zelfmanagement en eigen regie meer gericht zijn op de
gezondheidszorg en besluitvorming
Student kent de kenmerken van goede samenwerking volgens Belbin (1998, 1999) en kan
een persoonlijk samenwerkingsprofiel schetsen.
o Kenmerken van goede samenwerking volgens Belbin:
Diversiteit in rollen: Teams moeten verschillende rollen hebben, zoals de
coördinator, de uitvoerder, en de innovator, om effectief te functioneren
Communicatie: Open en eerlijke communicatie is essentieel voor een goede
samenwerking
Vertrouwen: Teamleden moeten elkaar vertrouwen om effectief samen te werken
o Persoonlijk samenwerkingsprofiel:
Reflectie op eigen rol: Identificeer je sterke en zwakke punten in samenwerking en
hoe deze bijdragen aan de teamdynamiek
Aanpassing: Bepaal hoe je je samenwerking kunt verbeteren door je rol aan te
passen aan de behoeften van het team. Dit kan betekenen dat je je
communicatievaardigheden verbetert, openstaat voor feedback, of bereid bent om
andere rollen te vervullen wanneer dat nodig is
Teamontwikkeling: Denk na over hoe je kunt bijdragen aan de ontwikkeling van het
team, bijvoorbeeld door het delen van kennis, het stimuleren van samenwerking,
en het bevorderen van een positieve teamcultuur
Student kan de NIC/NOC-app toepassen bij het maken van een verpleegplan
o NIC (Nursing Interventions Classification): dit is een classificatiesysteem voor
verpleegkundige interventies. Het biedt een gestructureerde lijst van interventies die
verpleegkundigen kunnen gebruiken om zorgplannen op te stellen
o NOC (Nursing Outcomes Classification): dit is een classificatiesysteem voor
verpleegkundige resultaten. Het helpt verpleegkundigen om de uitkomsten van hun
zorg te meten en te evalueren
o Toepassing bij het maken van een zorgpla:
Stap 1: identificeer de zorgbehoeften van de cliënt op basis van een grondige
beoordeling
, Stap 2: kies relevante NIC-interventies die passen bij de geïdentificeerde
zorgbehoeften
Stap 3: bepaal de NOC-resultaten die je wilt bereiken met de gekozen interventies
Stap 4: stel het verpleegplan op, inclusief de gekozen interventies, die beoogde
resultaten en de evaluatiecriteria
Stap 5: voer het verpleegplan uit en evalueer regelmatig de voortgang en
effectiviteit van de interventies, en pas het plan aan indien nodig
CASUS 1 AFPF
De grote en kleine circulatie van het bloed door het hart en de bloedvaten van het
lichaam beschrijven.
o De grote circulatie: het bloed wordt door het hart gepompt naar de longen om
zuurstof op te nemen en koolstofdioxide af te geven, en vervolgens naar de rest
van het lichaam om zuurstof en voedingsstoffen te leveren
o De kleine circulatie: het bloed wordt door het hart gepompt naar de longen om
zuurstof op te nemen en koolstofdioxide af te geven
o Het bloed stroomt door de bovenste/onderste holle ader (vena cava
superior/inferior) naar het rechteratrium. Dit bloed stroomt door de
tricuspidalisklep naar de rechterventrikel
o Vervolgens wordt het verder gepompt naar de longslagader, hierbij passeert het
eerst de 3 halvemaanvormige kleppen, deze kleppen voorkomen dat het bloed
terugstroomt de kamer in.
o De truncus pulmonaris (slagaderstam) vertakt zich in twee arteria die het
zuurstofarme bloed naar de longen voeren, waar gasuitwisseling plaatsvindt
o Twee venae pulmonales (longaders) per long vervoeren zuurstofrijk bloed terug de
aorta in. De aorta wordt beschermd door de aortaklep, die bestaat uit 3
halvemaanvormige klepbanden.
De structuur van het hart en de positie ervan in de thorax beschrijven .
o Het hart is een kegelvormig, hol, gespierd orgaan dat in de thorax ligt. Is ongeveer
10 cm lang en heeft de omvang van de vuist van de eigenaar. Bevindt zich in de
thoraxholte (borstholte) in de ruimte tussen de longen. De hartwand bestaat uit
drie lagen:
Pericard: de buitenste laag van stevig bindweefsel, vlies om het hart heen.
Myocard: komt in het hart zelf voor, dwarsgestreept hartspierweefsel
Endocard: glad endotheel membraan bedekt de kamers van het hart, zodat
het bloed gemakkelijk doorstroomt
o Het hart bestaat uit vier kamers: rechter atrium, rechter ventrikel, linker atrium en
linker ventrikel
De verschillende onderdelen van het hart benoemen/aanwijzen in (een afbeelding van)
het hart: rechter atrium, rechter ventrikel, linker atrium, linker ventrikel, septum, valva
tricuspidalis, valva mitralis, pulmonalisklep, aortaklep
o Rechter atrium: ontvangt zuurstofarm bloed uit het lichaam
o Rechter ventrikel: pompt zuurstofarm bloed naar de longen