Samenvatting theoretische criminologie
Hoorcollege + literatuur aantekeningen
Hoorcollege 1: introductie
hoge mate van consensus hangt samen met heftigere reactie en
schadelijker gedrag zorgt voor een heftigere reacties en hogere mate van consensus
- hoe zichtbaar en direct is de schade → zorgt voor meer consensus (deze factoren
zijn meegenomen in de prisma)
bijv. onderzoek tegen dupont/chemours → indirecte schade dus aan de onderkant van de
prisma, dus voorbeeld van crimes of the powerfull, groot machtig bedrijf.
bijv. overvaller die cassiere bij de keel grijpt → direct schade dus aan de bovenkant van de
prisma, reactie is duidelijker, want consensus over dat het gedrag niet goed is, schadelijk
voor de cassiere.
waarom theoretische criminologie:
- voor een wetenschap moet er een theorie zijn
- theorie is nodig om kennis op te bouwen, kennisopbouw via:
- theoretische noties en concepten
- falsificatie via empirie
theoretische vernieuwing
- criminologie is jonge wetenschap
- ontwikkelingen onder invloed van
- wetenschap interne factoren → factoren binnen criminologie
- wetenschap externe factoren → factoren buiten de criminologie, bijv
maatschappelijke, politieke veranderingen, of veranderingen binnen andere
wetenschappen
paradigma = algemene wijze van kijken naar de wereld, dat impliceert wat je kan zien, doen
en theoretiseren (meest breed)
- 4 paradigma’s:
- klassieke paradigma → niet etiologisch (verklarend), mens is rationeel wezen
dat in relatieve vrijheid keuzes maakt, mens is op zoek naar genot
maximalisatie, niet empirisch maar normatief
- positivistische paradigma → wel empirisch, gericht op objectief onderzoek,
meten is weten, vaak kwantitatief onderzoek
, - interpretatieve paradigma → gericht op subjectiviteit, de veranderlijkheid van
de werkelijkheid, werkelijkheid staat niet vast, maar zijn interpretaties van
mensen, vaak kwalitatief onderzoek, mensen begrijpen de wereld dmv hun
interpretaties
- kritische paradigma → subjectiviteit van de onderzoeker, je gaat ervan uti dat
kennis nooit neutraal is, de machthebbers zorgen ervoor dat hun gezichtspunt
door wordt gedrukt, wetenschapper moet dit blootleggen, actie wetenschap,
gericht om de wereld beter te maken voor mensen in ondergeschikte positie.
Theoretische benadering/perspectief = fundamenteel beeld van de
samenleving, richtsnoer voor theorie en onderzoek, daarbinnen heb je
allemaal theorieën
theorie = consistent stelsel van (gegeneraliseerde) uitspraken die met
elkaar samenhangen, verklaart sociale werkelijkheid, toetsbaar dmv
onderzoek
concept = kunnen binnen theorie vallen, maar hoeft niet, zijn niet altijd
toetsbaar
bijv. klassieke paradigma, perspectief daarbinnen is neoklassieke criminologie, theorie
daarbinnen is routine activiteiten
Etiologie
- oorzakenleer → dus gaat over causaliteit
- dat is niet correlatie
Verklaringsniveaus:
- macro
- focus op samenleving als geheel
- totaalbeeld van sociale structuren in de
samenleving
- meso
- focus op ‘middelgrote’ analyse eenheden
- groepen
- micro
- focus op individuen
- interacties
maatschappijbeelden:
- consensus → eens zijn in de samenleving over bijv wat crimineel gedrag is, begrip
criminaliteit staat niet ter discussie
- conflict → ziet de maatschappij als concrete arena van strijd, groepen zijn dominant
en niet dominant, zijn met elkaar in gevecht, niet eens over dingen in de
samenleving, begrip criminaliteit staat ter discussie
- interactie → ziet de maatschappij als opgebouwd uit interacties, niet per se sprake
van consensus of conflict, dat wisselt, want maatschappij is veranderlijk, ook begrip
criminaliteit staat dus niet vast.
,mensbeelden:
- rationele actor → iedereen handelt rationeel, nutsmaximalisatie, daarmee maak je
keuzes wat je wel en niet doet, criminaliteit is dus een keuze (sluit aan bij klassieke
paradigma)
- gedetermineerde actor → bepaalde omstandigheden zorgen ervoor dat bepaald
gedrag wordt vertoond, er zijn dingen die ervoor zorgen dat een persoon criminaliteit
pleegt (door omstandigheden gewonden) (sluit aan bij positivistische paradigma)
- de actor als slachtoffer (victimised actor) → persoon is slachtoffer van de situatie
waarin hij zit, samenleving is oneerlijk en persoon is daar het slachtoffer van, politiek,
wat zorgt ervoor dat gedrag van bepaalde mensen crimineel wordt bevonden (sluit
aan bij kritische paradigma)
interpretatieve paradigma past zowel bij rationele als gedetermineerde actor
Pre-criminologie: (in deze tijd in de geschiedenis spreekt men nog niet van criminologie,
want was nog geen empirische wetenschap)
→ klassieke paradigma
- niet etiologisch, maar normatief (dus eigenlijk juridische benadering)
- gericht op het hervormen van het strafrecht, niet op verklaren van criminaliteit
- sociale context
- relatie op onderdrukking en absolute macht vorst
- opkomst verlichting (17e tot 19e eeuw) (centraal stellen van de reden,
rationaliteit, anders naar mensen en hun positie in de samenleving gekeken)
- vroege industrialisatie
- opkomst burgerij (middenklasse, zij hebben behoefte aan eerlijker strafrecht,
ze hebben veel geld verdiend, maar hebben geen bescherming)
- beccaria en bentham (beide adel)
- beccaria:
- komt uit italië, is aristocraat
- sociale contract, trias politica, utilitarisme (invloed van hobbes, locke,
rousseau, hume, diderot, montesquieu)
- belangrijkste werk: ‘over misdaad en straffen’ (1964), anonieme
uitgave, verboden door paus en vorsten
- denken gericht op hervorming
- combinatie sociaal contract denken (wij hebben een sociaal contract
met de staat: recht op zelfbescherming overgedragen aan de staat, en
staat heeft geweldsmonopolie), utilitarisme en natuurlijke rechten
- individuele soevereiniteit staat centraal: je hebt
zelfbeschikkingsrecht, criminaliteit is daardoor een handeling
tegen het sociale contract
- hedonisme en rationaliteit → zoeken naar genot op rationele wijze,
door straffen kunnen we gedrag beïnvloeden
- straf moet voldoen aan drie voorwaarden: zekerheid, snelheid en
strengheid
- je moet weten dat als je iets doet wat niet mag, dat er straf
volgt
- het moet snel gebeuren
, - proportionaliteit van handeling en straf, straf moet streng zijn,
maar niet te streng
- bentham:
- later, dus bouwt voort op ideeën beccaria
- heel erg jong rechtenstudie gedaan (12 jaar)
- liberaal utilitarisme en hedonisme (pain-pleasure principle)
- recht is middel in creatie ‘goede samenleving’
- straf is een kwaad dus nutsvereiste (beccaria meer nadruk op
rechtvaardigheid, bentham meer op nut), daarom kritisch op het
straffen van slachtofferloze delicten
- zekerheid central in plaats van rechtvaardigheid → iedereen weet wat
de strafwet is en dat iedereen er vanuit kan gaan dat die ook wordt
uitgevoerd. dus individuele omstandigheden van het geval moeten
niet worden meegenomen in de afweging voor straf
- met straf kosten-baten afweging beïnvloeden
- maar: zwaardere straf mogelijk bij recidive, want recidivisten
veroorzaken relatief veel schade aan maatschappij, dus nut
van zwaarder straffen is hoog (vergelijk beccaria, dus minder
nadruk op proportionaliteit)
- panopticon → hele nuttige gevangenis volgens bentham, maar heel
weinig bewakers nodig vanwege de vorm van de gevangenis, de
bewaker kan alle gevangenen zien,maar andersom niet, dus zouden
ze zich goed gaan gedragen.
kernideeën:
- iedere persoon heeft universele rechten (kan niemand van je afpakken)
- rationele mens, calculerende dader
- strafrecht moet rechtvaardig, eerlijk, onafhankelijk en voorspelbaar zijn
- humaniseren strafrecht, dus bijv geen lijfstraffen meer
invloed utilitarisme
- grootst mogelijk geluk voor grootst mogelijk aantal mensen (voorheen ging het
slechts over belangen van de vorst ipv die van de meerderheid)
pre criminologie = consensus maatschappijbeeld, rationele actor mensbeeld, beleid is
kosten verhogen of baten verlagen
van klassiek naar positivisme
- klassieke school (18e eeuw)
- positivistische school (19e eeuw) → reactie op de klassieke school
- italiaanse school (lombroso) → biologische oorzaken voor criminaliteit
- franse school (lacassagne, tarde) → milieuschool, nadruk op sociologische
invloeden
- beide zijn deterministisch, zoeken verklaringen ergens ander
- italiaanse (nature) vs franse school (nurture)
Literatuur HC 1:
"‘Globalisering’ verwijst naar al die processen waarmee mensen van de wereld worden
opgenomen in één wereldsamenleving, de mondiale samenleving"