Casus 6: Sarah is opgenomen
Algemene voorbereiding
De focus in deze casus ligt op stemmingswisselingen in het kader van het Borderline
persoonlijkheidssyndroom (BPS) en het Interactiesyndroom (Aandachtstekort-
hyperactiviteitssyndroom). Vergelijk ook met de stemmingswisseling bij het bipolaire syndroom uit
casus 3.
• Doel Casus 6A: Kenmerken van het borderline persoonlijkheidssyndroom (BPS) en voor de
differentiaaldiagnose de
• kenmerken van suïcidaliteit.
• Doel Casus 6B: Kenmerken van het borderline persoonlijkheidssyndroom (BPS) en voor de
differentiaaldiagnose de
• kenmerken van het dissociatief syndroom.
• Doel Casus 6C: Bespreek de achtergronden van het interactiesyndroom (ADHD), differentiaal
diagnose, neurobiologie, behandeling.
1
,Casus 6A en 6B
Mentale status onderzoek
Casus 6A Zoë
Cognitief
Inhoudelijk denken - piekeren over psychologische thema’s
Inhoudelijk denken - ontrouwheidswanen (paranoide wanen)
Affectief
Affect - labiel (ineens woedend worden)
Vrees - verlatingsangst
Stemming - dysfoor - wantrouwig
Conatief
Motivatie en gedrag - impulsief gedrag (naar Parijs vertrokken)
Motivatie en gedrag - impulsief relaties beginnen en beëindigen?
Motivatie en gedrag - impulsief gedrag: woede-uitbarstingen
Casus 6B Cindy
Cognitief
Waarnemen - auditieve & imperatieve hallucinaties
Waarnemen - depersonalisatie en derealisatie
Affectief
Somatische klachten - slaapstoornis
Somatische angstequivalenten - nachtmerries
Stemming - depressief: tijdens depersonalisatie
Conatief
Motivatie en gedrag - impulsief gedrag - automutilatie
Motivatie en gedrag - toename - hyperorexie
2
,Diagnostiek borderline persoonlijkheidssyndroom
Beschrijf klinische kenmerken van het borderline persoonlijkheidssyndroom (BPS).
Behoort tot de dramatische persoonlijkheidsstoornissen in cluster B. Kernelementen:
• instabiliteit van het zelfbeeld, van persoonlijke doelstellingen, interpersoonlijke relaties;
• wisselende affecten; gepaard gaande met
• impulsiviteit, risicovol gedrag en/of vijandigheid.
De kenmerkende elementen situeren zich op het gebied van Negatieve Affectiviteit, Ongeremdheid en
Antagonisme. Het zelf-functioneren wordt gekenmerkt door een gebrek aan eigenheid, leegte, een
negatief en zelfkritisch gevoel van eigenwaarde en instabiliteit in doelen, aspiraties en
carrièreplanning. Interpersoonlijke relaties worden gekenmerkt door een sterke interpersoonlijke
gevoeligheid en terugkerende intense, instabiele relaties met anderen. Deze beperkingen in
persoonlijkheidsfunctioneren en de pathologische trekken zijn herkenbaar aan gedragingen als het
ondernemen van krampachtige pogingen om niet in de steek gelaten te worden, intense en instabiele
relaties, een aanhoudend en instabiel zelfgevoel, impulsiviteit, recidiverende suïcidale gedragingen of
automutilatie, affectlabiliteit, leegte, intense woede en voorbijgaande paranoïde ideeën of
dissociatieve verschijnselen.
Duidelijke presentatie: automutilatie, suïcidepogingen en eisend gedrag.
In het handboek van psychiatrische stoornissen, de DSM-5, staan negen kenmerken. Om in aanmerking
te komen voor de diagnose borderline moet iemand aan vijf daarvan voldoen.
1. Krampachtig proberen te voorkomen dat iemand je -feitelijk of vermeend- in de steek laat.
2. Een patroon van instabiele en intense relaties, waarbij de ander heel erg wordt geidealiseerd
of juist gekleineerd.
3. Identiteitsstoornis: duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel.
4. Impulsiviteit op ten minste twee gebieden die je mogelijk kunnen schaden (bijvoorbeeld geld
verkwisten, seks, misbruik van middelen, winkeldiefstal, roekeloos rijden, vreetbuien).
5. Terugkerende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of automutilatie (zelfverwonding).
6. Sterk wisselende stemmingen (bijvoorbeeld periodes van intense dysforie – het
tegenovergestelde van euforie, prikkelbaarheid of angst meestal enkele uren durend en
slechts zelden langer dan een paar dagen).
7. Een chronisch gevoel van leegte.
8. Inadequate, intense woede of moeite om je kwaadheid te beheersen (bijvoorbeeld
regelmatig terugkerende driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen).
9. Voorbijgaande, aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve
verschijnselen (het idee buiten de werkelijkheid te staan).
3
, Beschrijf predisponerende, uitlokkende en onderhoudende factoren voor BPS (waaronder leeftijd
van onset en het verloop/prognose).
Genetisch: Zijn er aanwijzingen voor familiale/erfelijke factoren?
Men neemt aan dat er een erfelijke kwetsbaarheid is. Meerdere genen, onder an- dere voor het
coderen van het temperament, vormen gezamenlijk de persoonlijkheid. Deze erfelijke kwetsbaarheid
wordt voor een aanzienlijk deel (30-60%) verantwoorde- lijk geacht voor het ontstaan van een
persoonlijkheidssyndroom.
Alcohol en Cannabis: Leidt gebruik van of verslaving aan een van deze producten tot BPS?
Veel mensen met borderline gebruiken alcohol, als een soort van zelfmedicatie. Mensen met
borderline kunnen gemakkelijker verslaafd raken. Ook kan het zijn dat mensen met een
alcoholverslaving, borderline symptomen vertonen. Door de overlap in symptomen, maakt het stellen
van een diagnose moeilijker.
Sociale factoren: Heeft sociale deprivatie, terugtrekking, sociale angst iets met BPS te maken?
Patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis hadden als kind vaak een heftig temperament,
waardoor een negatieve interactie met de ouders is ontstaan. Daarnaast blijkt een groot aantal
patiënten met deze persoonlijkheidsstoornis een voorgeschiedenis te hebben van fysieke
mishandeling of seksueel misbruik. Verondersteld wordt dat al deze factoren bijdragen aan het
ontstaan van de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Suïcidepogingen en automutilatie komen relatief
vaak voor. De zelfdestructiviteit van deze patiënten is ook duidelijk in het patroon om bijvoorbeeld
opleidingen net niet af te maken, een op zich passende baan te laten mislukken, en relaties met redelijk
stabiele en betrouwbare partners te verbreken omdat zij deze partners als ‘te saai’ ervaren.
De borderline-persoonlijkheidsstoornis komt nogal eens voor samen met andere
persoonlijkheidsstoornissen, een stemmings- of angststoornis, een posttraumatische stressstoornis,
een dissociatieve stoornis, een eetstoornis, een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis, of een
stoornis in het gebruik van een middel.
Beloop
Bij patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis is het beloop divers: sommigen overlijden
door suïcide (het risico hierop wordt geschat op rond de 10%, vooral als er ook sprake is van een
depressieve stoornis of een stoornis in het gebruik van een middel) of blijven een behoorlijke mate
van pathologie vertonen; anderen worden met het ouder worden minder impulsief en heftig en gaan
beter functioneren. Op hogere leeftijd kan de impulsbeheersing afnemen met een toename van het
pathologisch gedrag.
4