Samenvatting
Inleiding Belastingheffing Ondernemingen
Inhoud
Algemeen Kader.......................................................................................................................................2
IB en VpB...........................................................................................................................................2
Aandelen.............................................................................................................................................4
VpB-ondernemer......................................................................................................................................6
Subjectieve Belastingplicht....................................................................................................................6
Onbeperkt en beperkt belastingplichtigen.................................................................................................7
Overheidsbedrijven...............................................................................................................................7
Subjectieve vrijstellingen.......................................................................................................................8
Objectieve belastingplicht en totaalwinst..................................................................................................8
Jaarwinst...........................................................................................................................................10
Renteaftrekbeperkingen.......................................................................................................................15
Onderscheiding Type Leningen............................................................................................................17
Deelnemingsvrijstelling.......................................................................................................................19
Reorganisatie faciliteiten......................................................................................................................22
Fiscale eenheid...................................................................................................................................23
Verrekening van Verliezen...................................................................................................................24
Internationaal en EU-belastingrecht............................................................................................................25
Internationale dubbele belasting + methoden ter voorkoming...................................................................25
Methoden ter voorkoming dubbelle heffing (Belastingverdragen).............................................................25
Berekeningen..........................................................................................................................................27
Terminologie...........................................................................................................................................29
Wetten ter gebruik....................................................................................................................................32
,Algemeen Kader
IB en VpB
Functies Belastingheffing:
(1) Instrumentele functie: inzet als een middel om bepaalde maatschappelijke, economische of sociale doelen
te bereiken
(2) Budgettaire functie: het genereren van inkomsten voor de overheid. Deze inkomsten worden gebruikt om
publieke voorzieningen en diensten te financieren, zoals onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur,
defensie en sociale zekerheid.
(3) Nivellerende functie: inkomens- en vermogensongelijkheid verminderen. Progressieve belastingen, zoals
hogere tarieven voor hogere inkomens, zorgen ervoor dat personen met meer vermogen een relatief hoger
belastingbedrag betalen.
Directe belastingen: belastingen die direct door de belastingplichtige aan de overheid worden betaald.
Voorbeeld: inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, vermogensbelasting, etc.
Indirecte belastingen: belastingen die indirect door de consument betaald via de aankoop van goederen of
diensten.
Voorbeeld: btw, accijns, invoerrechten, etc.
Materieel belastingrecht: de regels die bepalen hoeveel belasting iemand is verschuldigd.
Formeel belastingrecht: alle regelgeving waaraan de Belastingdienst en de belastingplichtige zich moeten houden
bij het heffen van belasting.
Publiekrechtelijke rechtspersonen: Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn rechtspersonen die zijn ingesteld door
de overheid en belast zijn met het uitvoeren van publieke taken. Zij zijn opgericht op basis van de wet en dienen het
algemeen belang.
Privaatrechtelijke rechtspersonen: Privaatrechtelijke rechtspersonen zijn rechtspersonen die ontstaan door de wil
van natuurlijke personen, doorgaans opgericht voor private (bijvoorbeeld commerciële) doeleinden.
Fiscaal transparant: belasting wordt individueel geheven bij de aandeelhouders/vennoten, afhankelijk van hun
aandeel in de entiteit (voorbeeld CV of maatschap)
fiscaal niet-transparant: entiteit betaalt zelf belasting over de winst (voorbeeld: BV of NV).
IB-ondernemer VpB-ondernemer
Rechtsvormen Natuurlijk persoon rechtspersoon
Ondernemingsvormen - Eenmanszaak - BV
- Vof - NV
- Cv - Stichting
- verenigingen
Belastingplicht Inkomstenbelasting, omzetbelasting Vennootschapsbelasting,
omzetbelasting, dividendbelasting,
inkomstenbelasting, loonbelasting
Aansprakelijkheid Persoonlijkheid aansprakelijk Beperkt aansprakelijk
Het is (hoofdzakelijk) de IB-ondernemer die te maken krijgt met de heffingen van het boxenstelsel van de
inkomstenbelasting. Een VpB-ondernemer kan erbij betrokken zijn indien hij/zij DGA is, via dividendbelasting,
etc. Ook maakt de VpB gebruik van dezelfde soort wetten als de IB-onderneming, ter voorkoming van een dikke
wettenbundel, wordt er daarom gerefereerd naar de IB-wetten.
,Er worden enkele criteria belicht, welke aanwezig moeten zijn om een materiële onderneming te
drijven (art 3.4 IB v art 2.1 VpB)
Criteria vennootschap/onderneming:
1. Duurzame onderneming: De onderneming moet gericht zijn op een zekere continuïteit, niet
slechts een eenmalige of tijdelijke activiteit
2. Kapitaal en arbeid: er wordt zowel een arbeidselement als benodigde kapitaal verwacht
3. Deelname economisch verkeer: activiteiten tegen betaling plaatsvinden en dat de onderneming
daadwerkelijk deelneemt aan de markt
4. (objectief) winstoogmerk: De onderneming moet streven naar een financieel voordeel, ook al
is er in de praktijk mogelijk sprake van verlies
Alle vier de punten moeten uitgelegd worden om de punten ervoor te behalen op het tentamen.
Tevens dient er per activiteit na te worden gegaan of het aan de criteria van een onderneming voldoet.
Zo kan de ene activiteit wél een onderneming zijn én de andere activiteit niet.
Indien niet voldaan is aan het winstoogmerk, maar wel aan het concurrentiecriterium, wordt er alsnog
belasting geheven.Concurrentiecriterium: belemmert gezonde concurrentie (art 4.a VpB)
Vermogensetikettering:
Het toewijzen of "etiketteren" van vermogensbestanddelen binnen een onderneming als
privévermogen of ondernemingsvermogen.
Vermogen valt onder:
0-10% zakelijk gebruik -> verplicht privévermogen
10-90% zakelijk gebruik -> keuzevermogen
>90% zakelijk gebruik -> verplicht ondernemingsvermogen
Bruggetje aftrekbare kosten onderneming:
1) Benoem art 3.8 -> behartigd het de belangen van de onderneming? Zo ja?
2) Vervolg naar het juiste wetsartikel (voorbeeld art 3.14 jo. 3.15 jo 3.16 IB).
Aftrekbare kosten onderneming (art. 3.16 & 3.17 IB)
• Adviezen levensvatbaarheid van onderneming
• Huur bedrijfsruimte
• Inrichting kantoor en werkplaats
• Onderhoudskosten
• Verzekeringen
• Reiskosten openbaar vervoer
• BTW
• Studiekosten
• Promotie- en representatiekosten
Vlottende activa & <€450 : meteen aftrekken
Vaste active & > €450 : afschrijven (over meerdere jaren)
Gemengde kosten (artikel 3.15 IB)
1. Voedsel, drank en genotsmiddelen
2. Representatie kosten
3. Congressen, seminars en studiereizen
Voor 80% aftrekbaar
Niet aftrekbare kosten onderneming (wet 3.14 IB)
1. Vaartuigen voor representatieve doeleinden
2. Geldboetes
3. Uitgaven die verbandhouden met misdrijven
4. Wapens en munitie
,5. Agressieve dieren
6. steekpenningen
Aandelen
Terminologie
Aandelen: deelnemingen in het (eigen) vermogen van een onderneming. (certificaathouder en
vruchtgebruik op aandelen)
Blote eigendom: het bezitten van een aandeel/vermogen, maar geen recht hebben om hier voordeel
uit te genieten.
Vruchtgebruik: genotsrecht ; het recht om voordeel te genieten uit een aandeel/winstbewijs.
Winstbewijzen: een soort aandelen die geen stemrecht geven aan de houders. In plaats daarvan,
ontvangen de houders een percentage van de winst van het bedrijf, in de vorm van dividend.
Nominale waarde: het bedrag waarvoor een aandeel of obligatie oorspronkelijk is uitgegeven.
Werkelijke waarde: ookwel intrinsieke waarde; het bedrag wat een aandeel of obligatie op het
moment op de markt opbrengt.
Aandelenkapitaal: het vermogen dat is verkregen door de uitgifte van aandelen.
Kapitaalvorming: Kapitaalaccumulatie of kapitaalvorming is de toename van kapitaal door
investeringen.
Geplaatst aandelenkapitaal: het totaal bedrag van de nominale waarde van de door die vennootschap
uitgegeven aandelen.
winstuitdeling: Een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als gevolg
waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de
daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken.
Bonusaandeel: een dividenduitkering, waarbij men aandelen uit de reserves van de onderneming
ontvangt, in plaats van contact geld.
Aandelenemissie: Een bedrijf geeft nieuwe aandelen uit.
Dividend: het deel van de winst dat een onderneming betaalt aan de aandeelhouders.
Agio: het verschil tussen de uitgifteprijs van een aandeel en de nominale waarde van dat aandeel
Formeel kapitaal: Formeel kapitaal wordt verkregen door een storting die civielrechtelijk wordt
erkend, bijvoorbeeld een storting op aandelen.
Informeel kapitaal (infokap): een kapitaalstorting, waarbij niet op aandelen wordt gestort.
Kapitaalstorting: een storting op aandelen, al dan niet door middel van agio (boven de nominale
waarde op aandelen gestort kapitaal).
Soorten aandelen
Gewone aandelen
Onder gewone aandelen verstaan men het meest gangbare soort aandeel. Met dit type aandeel wordt
men voor een deel eigenaar van het bedrijf en deze geeft het recht op medezeggenschap en een deel
van de winst
Prioriteitsaandelen
De zeggenschap van deze aandeelhouder heeft prioriteit en dat kan in verschillende gevallen zijn.
Preferente aandelen
aandeelhouder heeft bepaalde privileges, zoals voorrang bij uitbetaling van het dividend. Er kunnen
nog meer voorrechten zijn zoals dubbele deling in dividend en een gunstige positie bij faillissement.
Een mogelijk nadeel: dit aandeel geeft géén stemrecht binnen het bedrijf
,Vrije Beleggingen: belangen in een andere onderneming, die niet worden gehouden met het oog op
ondernemen, maar als belegging/investering.
Soorten vrije beleggingen:
Gewone belegging: “zie gewone aandelen”
Groepsvordering: het financieren van een verbonden lichaam
Ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen: bedrijfsmiddelen (zoals pand) verhuren/ter beschikking stellen
aan een verbonden lichaam
Kapitaalstortingen:
Twee smaken: formeel en informeel
- Formeel: daadwerkelijk op aandelen gestort kapitaal
- Informeel: al hetgeen de aandeelhouder als zodanig bewust ter bevoordeling aan de vennootschap
doet toekomen
Dividend:
Twee smaken: formeel en vermomd
- Formeel: winstuitkering na besluit bevoegd orgaan
- Vermomd dividend: vermogensverschuiving, bevoordeling van vennootschap jegens aandeelhouder,
bewustzijnsvereiste, voldoende winstreserves
Onderscheiding tussen formeel en informeel/vermomd:
- Is er sprake van een wanverhouding?
- Is er een (groot) verschil tussen de werkelijke /verkoopwaarde en de zakelijke waarde/WEV?
- Zou dit voordeel ook aan derde verstrekt worden?
Indien Vermomd dividend of kapitaalstorting wordt herkend, dient er een correctie plaats te vinden (corrigeer zodat
de werkelijkheid gelijk is aan zakelijke situatie). (art 3.8 IB jo. 8 VpB)
, VpB-ondernemer
De vennootschapsbelasting betreft een directe belasting (art 1 wet VpB), welke wordt geheven over de lichamen
(subjecten) benoemd in art 2 en 3 wet VpB. Hierin wordt er een onderscheid gemaakt tussen binnenlands
belastingplichtige lichamen (art 2 wet VpB) en buitenlands belastingplichtige lichamen (Art 3 wet VpB).
Subjectieve Belastingplicht
Binnenlands belastingplichtige lichamen (Art 2 wet VpB)
Binnenlands belastingplichtige lichamen zijn in Nederland gevestigde lichamen die in de heffing van de VpB
worden betrokken voor hun wereldwijde winst. Hierbij is er geen territoriale afbakening opgenomen wat betreft de
herkomst van de winst.
Om binnenlands belastingplichtig te zijn, dient de vestigingsplaats in Nederland te zijn (Art 2.5 wet VpB jo 4
AWR).
Vestigingsplaats: plaats waar feitelijke bestuur word uitgeoefend.
Onderverdeling binnenlands belastingplichtige:
Onbeperkt belastingplichtigen
Beperkt belastingplichtigen
Overheidsbedrijven vallen ook onder de binnenlandse belastingplicht.
Buitenlands belastingplichtige lichamen (Art 3 wet VpB)
Buitenlands belastingplichtige lichamen zijn niet in Nederland gevestigde lichamen die in de heffing van de VpB
hoofzakelijk worden belast voor:
De vennootschap een vaste inrichting of een vast vertegenwoordiger heeft in Nederland.
De vennootschap onroerend goed bezit in Nederland.
De vennootschap in Nederland deelneemt in een binnenlandse vennootschap, zoals een
samenwerkingsverband.
In deze gevallen wordt de winst die aan de Nederlandse activiteiten kan worden toegerekend, belast met
vennootschapsbelasting. Het tarief is doorgaans hetzelfde als voor binnenlandse belastingplichtigen
Vaste inrichting:
Een bedrijfsruimte in Nederland van een buitenlandse onderneming
Kenmerken:
1. Er is een bedrijfsinrichting
2. Er is een fysieke constructie
3. De fysieke constructie moet de onderneming te beschikking staan
4. De werkzaamheden moeten geheel/gedeeltelijk in de inrichting uitgeoefend worden.
Onderscheid binnenlands en buitenlands belastingplichtige
Het onderscheid wordt beoordeeld op basis van omstandigheden, echter:
Vestigingsplaats is leidend
Andere hulpmiddelen ter bepaling:
Plaats waar onderneming wordt gedreven
Plaats van algemene vergadering van aandeelhouders
Plaats van statutair