Samenvatting verlenen eerste hulp
Hoofdstuk 1
Eerste hulp: de eerste verzorging van een dier dat lijdt aan de gevolgen van een ongeval of een
plotseling ontstane of pas ontdekte ziekte.
Doelen eerste hulp:
het leven van de patiënt in stand houden
het eventueel aanwezige lijden zoveel mogelijk verlichten
proberen het herstel te bevorderen
proberen te voorkomen dat de verwonding of ziekte erger wordt totdat deskundige hulp
gearriveerd is
Het doel van een anamnese is achterhalen wat er gebeurd is.
Regels eerste hulp:
Blijf rustig werken, raak niet in paniek.
Werk volgens een vaste volgorde:
- Zorg dat het dier kan ademen
- Stop bloedingen
- Waarschuw zo snel mogelijk deskundige hulp
Spoedgeval: een situatie waarbij het leven van een dier in gevaar is, of een situatie waarbij de functie
van een orgaansysteem of een deel hiervan in gevaar is.
Het dier is pas gestorven als:
De ademhaling gestopt is
Er geen pols (hartslag) aanwezig is
De pupillen wijd open staan, geen pupilreflex
De cornea dof is, geen corneareflex
Er verlies is van urine en faeces
De lichaamstemperatuur is gedaald tot beneden de 27◦C
Er verandering in de spierspanning is: in eerste instantie zijn de spieren slap, later treedt er
rigor mortis (lijkstijfheid) op
Drie categorieën spoedgevallen:
1. Direct spoedeisend (deskundige hulp vereist).
2. Niet direct, maar wel binnen 12-24 uur deskundige hulp vereist.
3. Met de juiste adviezen kan de eigenaar de noodzakelijke hulp zelf verlenen.
Hoofdstuk 2
Spoedprotocol bestaat uit twee onderdelen:
1. Spoedstatus heeft als doel zo snel mogelijk een beeld krijgen over de toestand van het
dier.
Spoedanamnese: in een kort gesprek moeten de belangrijkste punten naar voren komen
over het spoedgeval.
Spoedonderzoek: in een verkort onderzoek wordt vastgesteld hoe het met de
verschillende orgaansystemen gesteld is. M.a.w: hoe erg is het dier er aan toe?
, 2. Spoedplan is zo opgericht dat eerst de belangrijkste handelingen worden verricht om het
verslechteren van de situatie te beperken (bloedingen stelpen, hartmassage, beademen,
etc.)
Spoedonderzoek is een sterk verkort klinisch onderzoek.
SPAR-onderzoek:
Slijmvliezen Pols Ademhaling Reflexen Temperatuur
SPAR-onderzoek is vervangen door het ABCD-onderzoek.
Airway: Aanspreken (attent, sopor, stupor, coma)
Ademweg vrijmaken
Ademhaling controleren
Alarmeren (hulp erbij halen)
Breathing: Beademen (indien dier niet zelf ademt)
Circulation: Pols voelen, bij twijfel start hartmassage
(indien pols voelbaar slijmvliezen controleren op kleur en vochtigheid en de
Capillary Refill Time (CRT) bepalen)
Disabilities: Neurologische toestand (reflexen controleren: o.a. pupil-, terugtrek-, pijn-,
kniepeesreflex)
Kunstmatig beademen:
Verwijder de halsband en controleer of er niks in de bek of keel zit wat de luchtstroom kan
blokkeren.
Mond op neus-beademing
Rib beademing
Beademingsapparatuur
Hartmassage:
Patiënt op linkerzijde. 100-120 keer per minuut in een gelijkmatig ritme.
Regel:
2 keer beademen, vijftien keer hartmassage, twee keer beademen, vijftien keer hartmassage, etc.
Hoofdstuk 3
Bij benauwdheid:
- Halsband afdoen
- Het dier zo rustig mogelijk houden om opwinding te voorkomen
- Probeer de bek te openen om in de keel te kijken (kalm en zorgvuldig te werk gaan)
- Probeer vast te stellen of er een obstructie zit in de voorste luchtwegen. Verwijder
eventueel slijm
- De hals strekken en de tong naar buiten trekken
Slachtoffers die aan verdrinking zijn ontkomen, moeten:
- Op een hellend oppervlak gelegd worden met de kop naar beneden.
- Als er geen adembewegingen meer zijn, dan kunstmatige ademhaling toepassen.
- Niet op de kop gehouden worden (de met vocht gevulde maag drukt dan op middenrif).
Manier van vervoeren hangt af van:
De lichaamsgrootte van de patiënt
De aard en de ernst van de verwonding, maar ook de temperatuur en het temperament van
de patiënt
Het aantal mensen dat hulp kan bieden
De faciliteiten die ter plaatse aanwezig zijn
De afstand waarover het dier vervoerd moet worden
Hoofdstuk 1
Eerste hulp: de eerste verzorging van een dier dat lijdt aan de gevolgen van een ongeval of een
plotseling ontstane of pas ontdekte ziekte.
Doelen eerste hulp:
het leven van de patiënt in stand houden
het eventueel aanwezige lijden zoveel mogelijk verlichten
proberen het herstel te bevorderen
proberen te voorkomen dat de verwonding of ziekte erger wordt totdat deskundige hulp
gearriveerd is
Het doel van een anamnese is achterhalen wat er gebeurd is.
Regels eerste hulp:
Blijf rustig werken, raak niet in paniek.
Werk volgens een vaste volgorde:
- Zorg dat het dier kan ademen
- Stop bloedingen
- Waarschuw zo snel mogelijk deskundige hulp
Spoedgeval: een situatie waarbij het leven van een dier in gevaar is, of een situatie waarbij de functie
van een orgaansysteem of een deel hiervan in gevaar is.
Het dier is pas gestorven als:
De ademhaling gestopt is
Er geen pols (hartslag) aanwezig is
De pupillen wijd open staan, geen pupilreflex
De cornea dof is, geen corneareflex
Er verlies is van urine en faeces
De lichaamstemperatuur is gedaald tot beneden de 27◦C
Er verandering in de spierspanning is: in eerste instantie zijn de spieren slap, later treedt er
rigor mortis (lijkstijfheid) op
Drie categorieën spoedgevallen:
1. Direct spoedeisend (deskundige hulp vereist).
2. Niet direct, maar wel binnen 12-24 uur deskundige hulp vereist.
3. Met de juiste adviezen kan de eigenaar de noodzakelijke hulp zelf verlenen.
Hoofdstuk 2
Spoedprotocol bestaat uit twee onderdelen:
1. Spoedstatus heeft als doel zo snel mogelijk een beeld krijgen over de toestand van het
dier.
Spoedanamnese: in een kort gesprek moeten de belangrijkste punten naar voren komen
over het spoedgeval.
Spoedonderzoek: in een verkort onderzoek wordt vastgesteld hoe het met de
verschillende orgaansystemen gesteld is. M.a.w: hoe erg is het dier er aan toe?
, 2. Spoedplan is zo opgericht dat eerst de belangrijkste handelingen worden verricht om het
verslechteren van de situatie te beperken (bloedingen stelpen, hartmassage, beademen,
etc.)
Spoedonderzoek is een sterk verkort klinisch onderzoek.
SPAR-onderzoek:
Slijmvliezen Pols Ademhaling Reflexen Temperatuur
SPAR-onderzoek is vervangen door het ABCD-onderzoek.
Airway: Aanspreken (attent, sopor, stupor, coma)
Ademweg vrijmaken
Ademhaling controleren
Alarmeren (hulp erbij halen)
Breathing: Beademen (indien dier niet zelf ademt)
Circulation: Pols voelen, bij twijfel start hartmassage
(indien pols voelbaar slijmvliezen controleren op kleur en vochtigheid en de
Capillary Refill Time (CRT) bepalen)
Disabilities: Neurologische toestand (reflexen controleren: o.a. pupil-, terugtrek-, pijn-,
kniepeesreflex)
Kunstmatig beademen:
Verwijder de halsband en controleer of er niks in de bek of keel zit wat de luchtstroom kan
blokkeren.
Mond op neus-beademing
Rib beademing
Beademingsapparatuur
Hartmassage:
Patiënt op linkerzijde. 100-120 keer per minuut in een gelijkmatig ritme.
Regel:
2 keer beademen, vijftien keer hartmassage, twee keer beademen, vijftien keer hartmassage, etc.
Hoofdstuk 3
Bij benauwdheid:
- Halsband afdoen
- Het dier zo rustig mogelijk houden om opwinding te voorkomen
- Probeer de bek te openen om in de keel te kijken (kalm en zorgvuldig te werk gaan)
- Probeer vast te stellen of er een obstructie zit in de voorste luchtwegen. Verwijder
eventueel slijm
- De hals strekken en de tong naar buiten trekken
Slachtoffers die aan verdrinking zijn ontkomen, moeten:
- Op een hellend oppervlak gelegd worden met de kop naar beneden.
- Als er geen adembewegingen meer zijn, dan kunstmatige ademhaling toepassen.
- Niet op de kop gehouden worden (de met vocht gevulde maag drukt dan op middenrif).
Manier van vervoeren hangt af van:
De lichaamsgrootte van de patiënt
De aard en de ernst van de verwonding, maar ook de temperatuur en het temperament van
de patiënt
Het aantal mensen dat hulp kan bieden
De faciliteiten die ter plaatse aanwezig zijn
De afstand waarover het dier vervoerd moet worden