Week D1: Psychologische en sociologische theorieën
Leerdoel van deze week:
Je bent in staat verschillende criminologische theorieën en verklarende modellen voor deviant en
crimineel gedrag te benoemen en toe te passen.
Psychologische criminologie
Leertheorie Bandura
- Leren door observatie
- Gedrag bij anderen zien dat beloond wordt > als het niet beloond wordt zal het niet snel
overgenomen worden
- Gedrag imiteren van het rolmodel
Sutherland differentiële associatietheorie
- Sociaal leren
- We leren crimineel gedrag op dezelfde manier als we andere dingen leren
- Crimineel gedrag wordt aangeleerd in contact met anderen
- Aanleren vind plaats in intieme, persoonlijke groepen
- Als bepaald gedrag als positief gezien wordt > dan wordt het overgenomen
Gottfredson en Hirschi Zelfcontrole
- ‘Algemene theorie over criminaliteit’
- Verklaring voor criminaliteit > zwak ontwikkeld zelfcontrolesysteem
- Mensen met een lage zelfcontrole zullen eerder hun behoeften met illegale middelen
bevredigen zonder te kijken naar de gevolgen op langere termijn
- Oorzaak is vooral gebreken in de opvoeding
Sociologische criminologie
Anomie/strain theory (Robert K.Merton)
- Armoede en ongelijkheid normale en onvermijdelijke verschijnselen in de maatschappij
- Wanneer leidt dit tot criminaliteit? Bij gebrek aan maatschappelijke normen en regels
- Deviantie vindt plaats als er een disbalans is tussen sociale structuur (legale middelen) en
cultuur (na te streven waarden binnen een samenleving)
- Anomie > vervaging normen en waarden
- Mogelijke reacties op strain > conformiteit, vernieuwing (criminaliteit), ritualisme,
terugtrekking (retreatisme), rebellie
Conformiteit > middelen en doelen/waarden zijn met elkaar in evenwicht/ met legale middelen de
culture doelen van de samenleving bereiken
Vernieuwing > deviant/delinquent, je kunt niet beschikken over legale middelen dus spreek je illegale
middelen aan om alsnog de doelen/waarden te bereiken
Ritualisme > houden zich aan de regels (normen/waarden) door dwangmatig voorgeschreven
middelen te hanteren/’de kans op vooruitgang is gering dus je kunt je maar beter aan de regels
houden’
,Terugtrekking > doen helemaal niet meer mee/ niet kunnen vinden in de waarden/doelen maar lukt
ook niet om aan de regels te houden
Rebellie > geven de schuld aan de samenleving die niet ‘deugt’/ het systeem moet worden aangepast
Delinquente subcultuurtheorie (Albert Cohen 1955)
- Criminaliteit bestaat uit statusfrustratie
3 manieren omgang met statusfrustratie:
- College boy > volgens de regels (legaal om doelen te bereiken)
- Corner boy > laten af en toe deviant gedrag zien
- Delinquent gang > eigen regels/ zware criminaliteit
Subcultuurtheorie (Cloward en Ohlin 1961)
- Crimineel gedrag als reactie op gebrek aan mogelijkheden
3 subculturen:
- Criminele subcultuur > wanneer illegale middelen beschikbaar zijn
- Conflictsubcultuur > legitieme en niet legitieme middelen ontbreken om in de materiële
behoeften te voorzien
- Afzonderingssubcultuur > in de legale en illegale middelensfeer niet succesvol, dus
terugtrekken
Chicago school (Robert Park 1864-1944)
- Systematische observatie van stadsleven in Chicago
- Chicago > snel groeiende metropolis met migranten uit Europa en zuidelijke staten USA
- Criminaliteit concentreert zich in bepaalde gebieden van de stad > vaak in het midden (zone
of transition) > etnische groepen, slechte behuizing, armoede
- Kritiek > in andere landen/steden is het model niet goed toepasbaar, juist andersom
(sloppenwijken aan de rand van de stad)
Bindingstheorie of sociale-controle theorie (Hirschi)
- De mens is van nature geneigd tot asociaal gedrag
- Bindingen kunnen dat voorkomen
4 elementen tegen criminaliteit
- Betrokkenheid > eigenbelang
- Gehechtheid > mate waarin je je verbonden voelt met de mensen om je heen
- Gebondenheid
- Normen en waarden
Rationele keuzetheorie
- Een meer economische manier van doorgronden van oorzaken van criminaliteit
- Kosten-baten analyse > wat levert het op?
- Geen verklaring voor onderliggende oorzaken en motivaties
Gelegenheidstheorie (Cohen en Felson 1979)
- Aandacht moet gevestigd worden op de situatie i.p.v. op de dader
Door te kijken naar:
- Gemotiveerde dader > moet aanwezig zijn
- Geschikte target > moet aanwezig zijn
- Afwezigheid van adequaat toezicht > pak kans laag
, Hedendaagse criminologie: kritische criminologie
- Jaren 50/60 van de vorige eeuw
- Verzet tegen kwantitatieve, weinig maatschappelijk betrokken criminologie waarin mensen
nummers zijn en verzet tegen positivisme
- De bestaande criminologie wordt nu gezien als vorm van othering en sociale uitsluiting >
verschillen, anders dan anderen
- Symbolisch interactionisme > in de omgang met elkaar geven we betekenis aan de wereld
om ons heen (we bepalen samen wat crimineel is en wat niet)
- De omgang met elkaar wordt bepaald door (ongelijke) machtsverhoudingen
- Niet iedereen heeft gelijke macht om zijn definities op te leggen aan anderen > wet
beschermt vooral de belangen van de elite
Labelling theorie
- Criminaliteit is geen vaststaand gegeven, maar varieert in tijd, cultuur en van de ene situatie
tot de andere
- Geen enkel gedrag is crimineel of deviant maar dit wordt het als anderen dit label erop
plakken
- De aard is de reactie van de samenleving op deze gedragingen
- Criminaliteit is een specifieke vorm van afwijkend gedrag dat het resultaat is van
strafrechtelijke classificatie en categorisering
Kritische criminologie en macht
- Marx/Engels zagen criminaliteit als verzet van onmachtige burgers tegen de heersende klasse
- Kritische criminologen delen die kritische blik op het strafrechtssysteem > dit is geen logische
en rechtvaardige reactie op criminaliteit maar creëert actief sociale ongelijkheid (systeem
criminaliseert)
- In Nederland pleiten Bianchi en Hulsman voor abolitionisme > afschaffen van de gevangenis
of zelfs van het hele strafrecht
Impact kritische criminologen
- Overheidsdefinities van criminaliteit niet meer voor vanzelfsprekend aangenomen >
criminaliteit is sociaal geconstrueerd
- Oorzaken criminaliteit niet in individu maar in samenleving
Leerdoel van deze week:
Je bent in staat verschillende criminologische theorieën en verklarende modellen voor deviant en
crimineel gedrag te benoemen en toe te passen.
Psychologische criminologie
Leertheorie Bandura
- Leren door observatie
- Gedrag bij anderen zien dat beloond wordt > als het niet beloond wordt zal het niet snel
overgenomen worden
- Gedrag imiteren van het rolmodel
Sutherland differentiële associatietheorie
- Sociaal leren
- We leren crimineel gedrag op dezelfde manier als we andere dingen leren
- Crimineel gedrag wordt aangeleerd in contact met anderen
- Aanleren vind plaats in intieme, persoonlijke groepen
- Als bepaald gedrag als positief gezien wordt > dan wordt het overgenomen
Gottfredson en Hirschi Zelfcontrole
- ‘Algemene theorie over criminaliteit’
- Verklaring voor criminaliteit > zwak ontwikkeld zelfcontrolesysteem
- Mensen met een lage zelfcontrole zullen eerder hun behoeften met illegale middelen
bevredigen zonder te kijken naar de gevolgen op langere termijn
- Oorzaak is vooral gebreken in de opvoeding
Sociologische criminologie
Anomie/strain theory (Robert K.Merton)
- Armoede en ongelijkheid normale en onvermijdelijke verschijnselen in de maatschappij
- Wanneer leidt dit tot criminaliteit? Bij gebrek aan maatschappelijke normen en regels
- Deviantie vindt plaats als er een disbalans is tussen sociale structuur (legale middelen) en
cultuur (na te streven waarden binnen een samenleving)
- Anomie > vervaging normen en waarden
- Mogelijke reacties op strain > conformiteit, vernieuwing (criminaliteit), ritualisme,
terugtrekking (retreatisme), rebellie
Conformiteit > middelen en doelen/waarden zijn met elkaar in evenwicht/ met legale middelen de
culture doelen van de samenleving bereiken
Vernieuwing > deviant/delinquent, je kunt niet beschikken over legale middelen dus spreek je illegale
middelen aan om alsnog de doelen/waarden te bereiken
Ritualisme > houden zich aan de regels (normen/waarden) door dwangmatig voorgeschreven
middelen te hanteren/’de kans op vooruitgang is gering dus je kunt je maar beter aan de regels
houden’
,Terugtrekking > doen helemaal niet meer mee/ niet kunnen vinden in de waarden/doelen maar lukt
ook niet om aan de regels te houden
Rebellie > geven de schuld aan de samenleving die niet ‘deugt’/ het systeem moet worden aangepast
Delinquente subcultuurtheorie (Albert Cohen 1955)
- Criminaliteit bestaat uit statusfrustratie
3 manieren omgang met statusfrustratie:
- College boy > volgens de regels (legaal om doelen te bereiken)
- Corner boy > laten af en toe deviant gedrag zien
- Delinquent gang > eigen regels/ zware criminaliteit
Subcultuurtheorie (Cloward en Ohlin 1961)
- Crimineel gedrag als reactie op gebrek aan mogelijkheden
3 subculturen:
- Criminele subcultuur > wanneer illegale middelen beschikbaar zijn
- Conflictsubcultuur > legitieme en niet legitieme middelen ontbreken om in de materiële
behoeften te voorzien
- Afzonderingssubcultuur > in de legale en illegale middelensfeer niet succesvol, dus
terugtrekken
Chicago school (Robert Park 1864-1944)
- Systematische observatie van stadsleven in Chicago
- Chicago > snel groeiende metropolis met migranten uit Europa en zuidelijke staten USA
- Criminaliteit concentreert zich in bepaalde gebieden van de stad > vaak in het midden (zone
of transition) > etnische groepen, slechte behuizing, armoede
- Kritiek > in andere landen/steden is het model niet goed toepasbaar, juist andersom
(sloppenwijken aan de rand van de stad)
Bindingstheorie of sociale-controle theorie (Hirschi)
- De mens is van nature geneigd tot asociaal gedrag
- Bindingen kunnen dat voorkomen
4 elementen tegen criminaliteit
- Betrokkenheid > eigenbelang
- Gehechtheid > mate waarin je je verbonden voelt met de mensen om je heen
- Gebondenheid
- Normen en waarden
Rationele keuzetheorie
- Een meer economische manier van doorgronden van oorzaken van criminaliteit
- Kosten-baten analyse > wat levert het op?
- Geen verklaring voor onderliggende oorzaken en motivaties
Gelegenheidstheorie (Cohen en Felson 1979)
- Aandacht moet gevestigd worden op de situatie i.p.v. op de dader
Door te kijken naar:
- Gemotiveerde dader > moet aanwezig zijn
- Geschikte target > moet aanwezig zijn
- Afwezigheid van adequaat toezicht > pak kans laag
, Hedendaagse criminologie: kritische criminologie
- Jaren 50/60 van de vorige eeuw
- Verzet tegen kwantitatieve, weinig maatschappelijk betrokken criminologie waarin mensen
nummers zijn en verzet tegen positivisme
- De bestaande criminologie wordt nu gezien als vorm van othering en sociale uitsluiting >
verschillen, anders dan anderen
- Symbolisch interactionisme > in de omgang met elkaar geven we betekenis aan de wereld
om ons heen (we bepalen samen wat crimineel is en wat niet)
- De omgang met elkaar wordt bepaald door (ongelijke) machtsverhoudingen
- Niet iedereen heeft gelijke macht om zijn definities op te leggen aan anderen > wet
beschermt vooral de belangen van de elite
Labelling theorie
- Criminaliteit is geen vaststaand gegeven, maar varieert in tijd, cultuur en van de ene situatie
tot de andere
- Geen enkel gedrag is crimineel of deviant maar dit wordt het als anderen dit label erop
plakken
- De aard is de reactie van de samenleving op deze gedragingen
- Criminaliteit is een specifieke vorm van afwijkend gedrag dat het resultaat is van
strafrechtelijke classificatie en categorisering
Kritische criminologie en macht
- Marx/Engels zagen criminaliteit als verzet van onmachtige burgers tegen de heersende klasse
- Kritische criminologen delen die kritische blik op het strafrechtssysteem > dit is geen logische
en rechtvaardige reactie op criminaliteit maar creëert actief sociale ongelijkheid (systeem
criminaliseert)
- In Nederland pleiten Bianchi en Hulsman voor abolitionisme > afschaffen van de gevangenis
of zelfs van het hele strafrecht
Impact kritische criminologen
- Overheidsdefinities van criminaliteit niet meer voor vanzelfsprekend aangenomen >
criminaliteit is sociaal geconstrueerd
- Oorzaken criminaliteit niet in individu maar in samenleving