Samenvatting Management van het Openbaar
Bestuur
College 1 Inleiding: publiek management
Rainey h2, h3
Dijstelbloem & Holtslag
Allison
College 2 Politiek, media en samenleving
Rainey h4, h5 (omgeving)
Schillemans
Special De toeslagen affaire
Shelena Keulemans
College 3 Effectiviteit en efficiëntie: NPM
Rainey h6 (organisatie prestatie en effectiviteit)
Laegreid
Eterno & Silverman
Special NPM in de strafrechtspraak
Sophie Mommers
College 4 Publieke waarden en PSM
Rainey h9, h10 (stimulansen en individuen)
Perry & Wise
Bozeman & Su
Special Publieke waarden in de PI’s
Hester Paanakker
College 5 Netwerken, ketens en allianties
Klijn & Koppenjan
Van Steden et al
Special De jeugdzorgketen
Jan-Kees Helderman
College 6 Leiderschap en personeel/HRM
Rainey h7, h11 (proces en cultuur)
Bass
Special Competenties en creativiteit
Peter Kruyen
College 7 Technologie en organisatie
Rainey h8, h13 (structuur, taak en technologie en proces) verandering
Dunleavy & Margetts
Terpstra & Salet
Special De abstracte politie
,Jan Terpstra
College 8 De coronacrisis en publiek
Christensen & Laegreid management
Thielsch et al
Putters
,
, Rainey H2: Het onderzoek van organisaties
begrijpen
College 1
Dit hoofdstuk belicht een grote ontwikkeling in onderzoek, theorie, en denken over organisaties en
management van het afgelopen eeuw. Figuur 2.1 is een samenvatting van de
organisatieontwikkelingen van dit hoofdstuk. (Handig om naast deze samenvatting door te nemen.)
Deze samenvatting laat zien dat management theorieën en uitvoering daarvan zijn veranderd in de
afgelopen eeuw. Theorieën over motivatie, waarden en capaciteiten van mensen in een organisatie
zijn veranderd en deze veranderingen zijn de aanleiding voor extra theorieën over hoe organisaties
moeten kijken en zich gedragen, als antwoord op een toenemende complexiteit- van snelle
veranderingen - in de context waarin zij opereren.
Theorieën en meningen van experten zijn veranderd: de nadruk op zeer bureaucratische organisaties
met sterke bevelslijnen, zeer specifieke en onveranderlijke takenpakket, en strenge controle op
mensen, naar de richting van meer flexibele, ‘biologische’ organisaties. Horizontale communicatie, en
een virtuele toename van oproepen tot participatie, empowerment, teamwerk en andere visies van
meer gedecentraliseerde, adaptieve organisaties.
Exhibit 2.1: Belangrijke ontwikkelingen in organisatie- en managementthheorie in de 20 e eeuw
I. Klassieke theorieën
Klassieke theorieën zeggen dat er 1 ‘beste manier’ is van organiseren, waarbij ze uitgaan van een
gesloten systeem.
A. Max Weber (Rationeel-Legaal)
Weber leverde een van de eerste invloedrijke analyses van bureaucratie. Hij definieerde de
basiskenmerken ervan, zoals hiërarchieën van autoriteit, carrièredienst, selectie en promotie
op basis van verdienste, en regels en voorschriften die procedures en verantwoordelijkheden
van ambten bepalen.
Weber beweerde dat deze kenmerken bureaucratie gebaseerd op een rationeel-legale vorm
van gezag en superieur maakten aan organisatievormen die gebaseerd waren op traditioneel
gezag (zoals aristocratie) of charismatisch gezag. Rationeel-legale autoriteit is selectie
gebaseerd op regels en wetten. Van deze alternatieven biedt bureaucratie superieure
efficiëntie, effectiviteit en bescherming van de rechten van klanten.
Hij beweerde ook dat bureaucratieën onderhevig zijn aan problemen met externe
verantwoording, aangezien ze zeer gespecialiseerd en deskundig zijn op hun
verantwoordelijkheidsgebied en mogelijk onderworpen zijn aan zelfingenomen en
geheimzinnig gedrag
B. Frederick Taylor (Scientific Management)
Taylor was de meest prominente figuur in de beweging voor wetenschappelijk management.
Hij pleitte voor het gebruik van systematische analyses, zoals "time-motion" -studies, om de
meest efficiënte procedures voor werktaken te ontwerpen (meestal bestaande uit een hoog
niveau van specialisatie en taakvereenvoudiging).
Taylor beweerde ook dat het management werknemers moet belonen met een eerlijk loon
voor efficiënte productie, zodat werknemers hun welzijn kunnen vergroten door middel van
productiviteit. Dit houdt in dat vereenvoudigde, gespecialiseerde taken en geldelijke
beloningen de belangrijkste drijfveren zijn.
Taylor kwam met het idee van Scientific Management (Taylorisme), dit houdt in dat er
wetenschappelijk onderzoek moest worden gedaan naar welke methode het meest efficiënt
was. Efficiëntie kon worden bereikt door gespecialiseerde taken uit te voeren en supervisie
op de medewerkers. Taylor zei dat er een doel gehaald moest worden en mensen werden
beloond naar de hoeveelheid die ze produceerde.