H21 afweer
21.1 geen indringers
Mechanische afweer: een fysieke barrière tegen ziekteverwekkers en gevaarlijke stoffen. (Bij
planten een vorm van afweer tegen herbivoren zoals stekels en doornen)
Chemische afweer: een vorm van afweer waarmee planten zich beschermen tegen
herbivoren, via voor deze dieren schadelijke stoffen
Inwendig milieu: bloed, weefselvloeistof, celinhoud en lymfe
Uitwendige milieu: Alles in en om het lichaam wat zich buiten het dekweefsel bevindt
(darmlumen, longinhoud, nierbekken, blaas, baarmoeder, buiten de huid).
Dekweefsel: laag weefsel van nauw aaneengesloten cellen, die het inwendige milieu
beschermt.
Opperhuid: dekweefsel van de huid.
Hoornlaag: buitenste laag van de opperhuid, bestaat uit dode, verdroogde cellen.
Basale cellenlaag: laag cellen waaruit de opperhuid aangroeit, bestaat vrijwel alleen uit de
stamcellen die voortdurend delen.
Lederhuid: laag bindweefsel onder de opperhuid, bevat veel zintuigjes en elastische vezels
Onderhuisvetweefsels: onderste laag bindweefsel van de huid, werkt als isolatie.
Melanocyten: pigmentvormende cel met lange uitlopers in de basale cellenlaag van de
opperhuid.
Melanine: pigment in de huid, gemaakt door melanocyten, dat het DNA in de huidcellen
beschermt tegen de uv-stralen in het zonlicht
Slijmvlies: dekweefsel met slijmbekercellen aan de binnen zijde van organen zoals longen en
darmen. Het bevat bacteriedodende stoffen. het bovenste ooglid bevat ook slijmbekercellen
De meeste bacteriën overleven de biochemische barrière van de maag, pH 1-3, niet.
Plantencellen herkennen schadelijke schimmels en bacteriën via receptoren op de
celmembranen. Dat leidt tot maatregelen, bijvoorbeeld:
- het sluiten van de huidmondjes Hierdoor verhinderen ze dat er meer bacteriën
binnenkomen.
- Planten kunnen H2O2 maken, waardoor de celwand verdikt en meer bescherming
biedt.
- Andere maken stoffen die de schimmelsporen doden die op het waslaagje (cuticula)
van hun bladeren terechtkomen.
Is een cel beschadigd, dan komt er NO vrij. NO is dodelijk voor de ziekteverwekkers, maar
ook voor de plantencel zelf. Aangetaste bladeren sterven af, maar de plant overleeft de
aanval.
Hierdoor maken de planten lokstoffen en waarschuwingssignalen
, 21.2 niet-specifieke afweer
Bacterie:
- Cirkelvormig chromosoom: cirkelvormig DNA-molecuul van én bacterie
- Plasmiden: kleine cirkelvormige DNA-moleculen, in het grondplasma van een
bacterie.
Microboom: alle bacteriën in en op je lichaam.
Biologen delen bacteriën in op grond van hun:
leefomgeving (aeroob of anaeroob),
voedselherkomst (heterotroof of autotroof),
celvorm (bijvoorbeeld bolletjes of staafjes),
celwandverschillen (reactie op kleurstoffen).
Malaria: ontstaat door (eencellige) parasieten
Na een steek van een mannelijke mug komen malariaparasieten via het bloed en de lymfe in
de lever In de levercellen vermeerderen zij zich en ontwikkelen zich tot parasieten die
rode bloedcellen binnendringen Na vermeerdering verlaten de parasieten de rode
bloedcellen koorts ontstaat Een klein deel van de parasieten plant zich geslachtelijk
voort. De geslachtscellen versmelten in de maag van de mug tot een zygote waaruit
nieuwe parasieten ontstaan.
Virus: ziekmakend deeltje. Bestaat uit erfelijk materiaal (DNA of RNA) met daaromheen een
eiwitkapsel (capside). Ze maken gebruik van cellen om zich te vermeerderen.
Virusenvelop: membraan om eiwitkapsel bij sommige virussen, bevat eiwitten afkomstig van
de gastheer en het virus.
Binas 77C
Niet-specifieke afweer(algemene afweer): een opruimsysteem van witte bloedcellen en
bloedeiwitten dat lichaamsvreemde deeltjes die binnendringen, onschadelijk maakt.
Antigenen: molecuul dat het afweersysteem kan activeren
MHC-I-moleculen: eiwitmolecuul in het lichaamscellen die niet tot het afweersysteem
behoren en die antigenen bevestigen aan het celmembraan.
Geïnfecteerd: Een met een virus besmette cel maakt niet alleen lichaamseigen eiwitten,
maar ook viruseiwitten. Antigenen van het virus belanden op het celmembraan. Daarmee is
het duidelijk dat de cel geïnfecteerd is.
Complementsysteem: verschillende type bloedeiwitten die vreemde of geïnfecteerde cellen
opruimen.
3 soorten cascades na contact met complementeiwitten
- Complementeiwitten stimuleren je lichaam tot de productie van signaalstoffen.
(cytokinen) De cytokinen hechten aan de cellen van de dichtstbijzijnde bloedvatwand
en markeren zo de plaats van de infectie. Cytokinen hebben een ontspannende
werking op de spiercellen rond de slagadertjes in de buurt. Dat betekent extra bloed
op de plaats van infectie: een wond gaat er rood uitzien. Ook neemt de ruimte tussen
de epitheelcellen van de haarvaten toe. Dat maakt het voor macrofagen (bron 9)
makkelijker om bij de infectie te komen.
21.1 geen indringers
Mechanische afweer: een fysieke barrière tegen ziekteverwekkers en gevaarlijke stoffen. (Bij
planten een vorm van afweer tegen herbivoren zoals stekels en doornen)
Chemische afweer: een vorm van afweer waarmee planten zich beschermen tegen
herbivoren, via voor deze dieren schadelijke stoffen
Inwendig milieu: bloed, weefselvloeistof, celinhoud en lymfe
Uitwendige milieu: Alles in en om het lichaam wat zich buiten het dekweefsel bevindt
(darmlumen, longinhoud, nierbekken, blaas, baarmoeder, buiten de huid).
Dekweefsel: laag weefsel van nauw aaneengesloten cellen, die het inwendige milieu
beschermt.
Opperhuid: dekweefsel van de huid.
Hoornlaag: buitenste laag van de opperhuid, bestaat uit dode, verdroogde cellen.
Basale cellenlaag: laag cellen waaruit de opperhuid aangroeit, bestaat vrijwel alleen uit de
stamcellen die voortdurend delen.
Lederhuid: laag bindweefsel onder de opperhuid, bevat veel zintuigjes en elastische vezels
Onderhuisvetweefsels: onderste laag bindweefsel van de huid, werkt als isolatie.
Melanocyten: pigmentvormende cel met lange uitlopers in de basale cellenlaag van de
opperhuid.
Melanine: pigment in de huid, gemaakt door melanocyten, dat het DNA in de huidcellen
beschermt tegen de uv-stralen in het zonlicht
Slijmvlies: dekweefsel met slijmbekercellen aan de binnen zijde van organen zoals longen en
darmen. Het bevat bacteriedodende stoffen. het bovenste ooglid bevat ook slijmbekercellen
De meeste bacteriën overleven de biochemische barrière van de maag, pH 1-3, niet.
Plantencellen herkennen schadelijke schimmels en bacteriën via receptoren op de
celmembranen. Dat leidt tot maatregelen, bijvoorbeeld:
- het sluiten van de huidmondjes Hierdoor verhinderen ze dat er meer bacteriën
binnenkomen.
- Planten kunnen H2O2 maken, waardoor de celwand verdikt en meer bescherming
biedt.
- Andere maken stoffen die de schimmelsporen doden die op het waslaagje (cuticula)
van hun bladeren terechtkomen.
Is een cel beschadigd, dan komt er NO vrij. NO is dodelijk voor de ziekteverwekkers, maar
ook voor de plantencel zelf. Aangetaste bladeren sterven af, maar de plant overleeft de
aanval.
Hierdoor maken de planten lokstoffen en waarschuwingssignalen
, 21.2 niet-specifieke afweer
Bacterie:
- Cirkelvormig chromosoom: cirkelvormig DNA-molecuul van én bacterie
- Plasmiden: kleine cirkelvormige DNA-moleculen, in het grondplasma van een
bacterie.
Microboom: alle bacteriën in en op je lichaam.
Biologen delen bacteriën in op grond van hun:
leefomgeving (aeroob of anaeroob),
voedselherkomst (heterotroof of autotroof),
celvorm (bijvoorbeeld bolletjes of staafjes),
celwandverschillen (reactie op kleurstoffen).
Malaria: ontstaat door (eencellige) parasieten
Na een steek van een mannelijke mug komen malariaparasieten via het bloed en de lymfe in
de lever In de levercellen vermeerderen zij zich en ontwikkelen zich tot parasieten die
rode bloedcellen binnendringen Na vermeerdering verlaten de parasieten de rode
bloedcellen koorts ontstaat Een klein deel van de parasieten plant zich geslachtelijk
voort. De geslachtscellen versmelten in de maag van de mug tot een zygote waaruit
nieuwe parasieten ontstaan.
Virus: ziekmakend deeltje. Bestaat uit erfelijk materiaal (DNA of RNA) met daaromheen een
eiwitkapsel (capside). Ze maken gebruik van cellen om zich te vermeerderen.
Virusenvelop: membraan om eiwitkapsel bij sommige virussen, bevat eiwitten afkomstig van
de gastheer en het virus.
Binas 77C
Niet-specifieke afweer(algemene afweer): een opruimsysteem van witte bloedcellen en
bloedeiwitten dat lichaamsvreemde deeltjes die binnendringen, onschadelijk maakt.
Antigenen: molecuul dat het afweersysteem kan activeren
MHC-I-moleculen: eiwitmolecuul in het lichaamscellen die niet tot het afweersysteem
behoren en die antigenen bevestigen aan het celmembraan.
Geïnfecteerd: Een met een virus besmette cel maakt niet alleen lichaamseigen eiwitten,
maar ook viruseiwitten. Antigenen van het virus belanden op het celmembraan. Daarmee is
het duidelijk dat de cel geïnfecteerd is.
Complementsysteem: verschillende type bloedeiwitten die vreemde of geïnfecteerde cellen
opruimen.
3 soorten cascades na contact met complementeiwitten
- Complementeiwitten stimuleren je lichaam tot de productie van signaalstoffen.
(cytokinen) De cytokinen hechten aan de cellen van de dichtstbijzijnde bloedvatwand
en markeren zo de plaats van de infectie. Cytokinen hebben een ontspannende
werking op de spiercellen rond de slagadertjes in de buurt. Dat betekent extra bloed
op de plaats van infectie: een wond gaat er rood uitzien. Ook neemt de ruimte tussen
de epitheelcellen van de haarvaten toe. Dat maakt het voor macrofagen (bron 9)
makkelijker om bij de infectie te komen.