Infectieziekten
Infection and immunity
Hoofdstuk 1
Symbiosis:
o Mutualisme
o Commensalisme
o Parasitisme
5 klassen van pathogenen
1. Virussen
2. Bacteriën
3. Fungi
4. Protozoa
5. Helminths (wormen)
6. (prionen) à infectueuze eiwitten
Vector
Reservoir
Tabel 1.1 blz 8
The famous ‘postulate’ van Rober Koch.
Figuur 1.4 blz 10 (pagina 13) erg handig voor overzicht!
INSERT
Vaccination (part 3)
Namen? Jenner, Pasteur, Ehrlich (eerste immunoloog)
Hoofdstuk 2 Viruses
Virussen zijn het meest widespread van alle pathogenen, capable of infecting every species
of animal.
Gene therapy with viruses: taking a selected gene with them to replace one missing in the
recipient.
Virus: heeft DNA of RNA, niet beiden. DNA virussen zijn het simpelst, omdat het RNA
polymerase van de gastheercel mRNA maakt en de eiwitten.
RNA virus = retrovirus
RNA virussen moeten hun eigen RNA polymerase meenemen om mRNA te maken. Andere
optie is dat het retrovirus reverse transcriptase bij zich draagt, om eigen DNA te maken dat
vervolgens in het genoom van de gastheer wordt geïntegreerd.
De replicatie van het DNA, synthese van virale eiwitten en het samenkomen van nieuwe
virale deeltjes vindt plaats in de kern van de gastheercel of, minder vaak, in het cytoplasma
(afhankelijk van het virus).
(3) Symmetrische structuur van de eiwitlaag. Crystal vorm en helix vorm met blaadjes aan
de onderkant.
Classificatie van virussen op basis van (1) nucleic acid, dus DNA of RNA en (2) of we een
envelope hebben.
, Volgens Milly op basis van 3 criteria: (1) genetisch materiaal (DNA/RNA, db, ss), (2) envelop,
(3) symmetrie van capside.
Symmerie capside termen àIGW 2 slide 20.
De envelop is nodig om de gastheercel te verlaten à budding. Een enveloped virus kan de
gastheercel verlaten zonder het te beschadigen/vernietigen. Een non-enveloped virus maakt
de cel kapot à lysis.
Om een cel binnen te komen moet het virus hechten aan een receptor. Dit moet een vitaal
component zijn (de receptor) op het celoppervlak, want anders kan de cel simpelweg
stoppen met het maken van de receptor en zo infectie voorkomen.
Receptoren waaraan HIV bindt: T cel, macrofaag, dendritische cellen, CD4, CCR5, CXCR4.
Lytic infection: infectie waar (cyto)lysis plaatsvindt bij de gastheercellen.
Latency: een patiënt overleeft in een niet-infectieuze vorm waarbij het virus gereactiveerd
kan worden om een tweede infectie te veroorzaken.
Opportunistische infecties: virussen die alleen ziekte veroorzaken wanneer het
immuunsysteem verzwakt/deficiënt is.
Zoönose: van dier op mens overgegaan virus.
Tabel 2 blz 20 (pagina 23)
Microbiology
Failures of the immune response
Het verworven (adaptieve) en aangeboren (aspecifieke) immuunsysteem.
Het adaptieve/verworven immuunsysteem kan indirect of direct ondermijnd worden. AIDS
(acquired immunodeficiency syndrome) is een indirect voorbeeld.
The direct routes occur when a pathogen either avoids or subverts the host immune
response and when the host has a genetic immunodeficiency disease. à dus wanneer
opportunistische ziektes voorkomen bij een patiënt met HIV?
HIV is een enveloped retrovirus. Retrovirussen bevatten het enzym reverse transcriptase
(RT) à RT kopieert het RNA naar een cDNA, dat vervolgens integreert in het DNA van de
gastheercel.
HIV-1 in de hele wereld (van chimpansees) en HIV-2 vooral in Afrika.
Om binnen te komen gebruikt HIV de glycoproteïnen gp120 en gp41. Deze binden aan (CD4)
T-(helper)cellen, dendritische cellen en macrofagen. Co-receptoren CCR5 en CXCR4 spelen
ook een rol.
The HIV genetic material comprises only nine genes flanked (omgeven door) by long
terminal repeat sequences (LTRs) which are required for the virus to integrate into the host
chromosome.
Plaatje met 8 stappen!