Cijfers spreken
Hoofdstuk 1
Onderzoek= de doelgerichte activiteit om voor het helpen oplossen van een onderkend
probleem kennis op te doen die nieuw is
Dient een praktisch doel verbetering praktijk of oplossen problemen in praktijk, je neemt
een beslissing op basis van de resultaten
Praktijkgericht onderzoek= in je werk er iets mee kunnen doen, je handelen erop kunnen
baseren
Toegepast onderzoek= hanteren van min of meer bekende en beproefde methoden om over
nieuwe problemen kennis te verwerven
Zuiver wetenschappelijk onderzoek= staat in eerste plaats ten dienste van de ontwikkeling
van de wetenschap
Houding onderzoeker voldoet hierbij aan volgende eisen:
Stelt zich objectief op
Werkwijze en resultaten zijn te controleren door anderen
Onderzoek en resultaten ervan zijn herhaalbaar
Werkt systematisch
Empirie= waarneembare werkelijkheid, onderzoek dat op basis van waarneming probeert
ware en algemene uitspraken doet
Objectiviteit:
Zoveel mogelijk afzien van eigen meningen, oordelen, vooroordelen,
wensen en overtuigingen
Onderwerpen en uitkomsten open onder ogen zien
Loopt gevaar door belangen en oordelen van onderzoeker of als beslissers,
bestuurders of beleidsmedewerkers belang hebben bij bepaalde
uitkomsten
Herhaalbaarheid:
Onderzoek moet zo zijn opgezet dat anderen het kunnen overdoen en
daarmee kunnen nagaan of de resultaten gelijk zijn
Systematiek:
Consequent zijn en samenhang in de gaten houden
Methodologie:
Levert regels en technieken om wetenschappelijk verantwoord onderzoek
te doen
Verschaft een begrippenkader dat eraan bijdraagt dat degenen die zich
met onderzoek bezighouden min of meer dezelfde taal spreken
Oneigenlijke motieven= moeilijke beslissing uitstellen, eigen gelijk bevestigen of toch al
genomen beslissing ondersteunen en daarom onderzoek laten doen
,Statusoverwegingen= mensen zijn niet gemakkelijk door harde gegevens of objectieve
berekeningen te overtuigen. Belangen, gevoelens, geldingsdrang, onkunde, luiheid, een
gebrek of juist overmaat aan lef en angstvallig letten op wat anderen denken zijn factoren
die bij beslissingsprocessen een belangrijke rol spelen
Probleemstelling= vraag waarop een onderzoek antwoord beoogt te geven
In vraagvorm, dus geen onderwerp
Doelstelling is niet probleemstelling, doelstelling is waarom en
probleemstelling wat van het onderzoek. Doelstelling is wat je wilt
bereiken en probleemstelling wat je wilt weten
Open of gesloten vraag. Ligt eraan wat je wilt weten en waarom en wat er
gebeurd met het resultaat
Concreet, scherp en ondubbelzinnig. Specificatie van te vergelijken
aspecten
Uitkomstvariabele moet relevant zijn
Onderzoek kan nooit antwoord geven op oordelen, kan oordelen wel
ondersteunen
Waarom- en waardoor-vragen: mogelijke oorzaken zijn nooit allemaal
tegelijk te onderzoeken. Onderzoeker moet een beeld hebben van
oorzaken en redenen voor het onderzoek plaats vind
Opdelen in deelvragen: boomstructuur
Geen defenitievragen
Veel vooronderzoek nodig
Onderzoeksproces:
Fase 1: verhelderen achtergrond en doelstelling
Oriënteren op probleem. Wat is het probleem, wie heeft het probleem,
wie zijn de belanghebbenden, wanneer is het een probleem, waarom is
het een probleem, waar doet het zich voor en hoe is het probleem
ontstaan? Literatuuronderzoek en deskresearch. Desk bestaat uit
gegevens zelf en literatuur uit bestaande theoretische kennis en
onderzoeksuitkomsten van andere onderzoekers
Fase 2: formuleren probleemstelling
Fase 3: ontwikkelen onderzoeksopzet
Verloop onderzoek vooraf plannen
Fase 4: verwerven gegevens
Data boven tafel krijgen
Fase 5: verwerken en analyseren gegevens
Hoofdrol voor statistiek bij kwantitatief onderzoek
Fase 6: interpreteren gegevens: conclusies trekken
Fase 7: evaluatie en terugkoppeling naar probleem
Kan het probleem dat het onderzoek moest helpen oplossen ook werkelijk
met de nieuwe verworven kennis worden aangepakt?
, Fase 8: rapporteren
Ook mislukt onderzoek: andere manier proberen of moeite besparen voor
anderen
Kwantitatief onderzoek= houdt zich bezig met vragen als: hoeveel, hoe vaak, hoe is het
gemiddeld, wie het meest
Data verzamelen door te meten, tellen, lijstjes
Harde uitkomsten
Weinig over veel
Kwalitatief onderzoek= houdt zich bezig met vragen als: hoe verlopen processen, hoe werkt
iets, hoe grijpen dingen op elkaar in, welke kanten zitten er aan een probleem, wat
motiveert mensen om
Diepgaand interviewen, open observaties, bijeenkomsten bijwonen
Resultaten vertalen zich in inzicht en begrip
Veel over weinig
Kwalitatief komt voor als verkennende voorfase van kwantitatief onderzoek
Hoofdstuk 2
Alle vragen gaan over objecten (bijv. mensen). Deze verschillen van elkaar wat betreft een of
ander kenmerk. Deze kenmerken heten variabelen (bijv. geslacht). Als je naar concrete
eigenschappen van de afzonderlijke objecten kijkt spreek je van waarden (bijv. man of
vrouw).
Je gebruikt alleen de relevante variabelen en waarden voor het
onderzoek. Je hebt ook verschillende manieren van meten.
Onderzoeksvragen kennen 1 soort object. Er kunnen meerdere variabelen
zijn
Objecten zijn dragers van de kenmerken, dit hoeven niet persé mensen te
zijn
Meetwaarden kunnen getallen, woorden of een omschrijving zijn
Variabelen kunnen ook slecht benoemd worden
Eenheid is ander woord voor object
Variabelen hebben een bepaalde samenhang, de een beïnvloed de ander en niet andersom.
Er zit dus een bepaalde richting in.
Onafhankelijke variabele= Variabele die geacht wordt te beïnvloeden
Afhankelijke variabele= Variabele die wordt beïnvloed
Soms is het onduidelijk wat als object van een onderzoek fungeert en soms kan je kiezen
welke objectsoort je kiest.
Meten= elke toekenning van een waarde op een variabele aan een object