krachttraining en coordinatie
Hoofdstuk 1: De basisbegrippen kracht en snelheid
Paragraaf 1.1 Reductionisme versus complexe biologische systemen
Het begrip ‘leer’ van trainingsleer geeft aan dat training maar voor een deel gebaseerd is op
wetenschappelijke kennis. Een belangrijk deel op modellen, zoals modellen van fysiologische
processen, biomechanische modellen etc.
Trainingsleer moet in de praktijk toepasbaar en hanteerbaar zijn. Belangrijk is welke factoren wel van
belang zijn in een bepaalde trainingsetting en welke niet.
De reductionistische benadering
De werkelijkheid wordt vormgegeven door abstracte onderliggende principes, die te vangen zijn in
natuurkundige en wiskundige formules. In de (wetenschaps)filosofie wordt dit uitgangspunt
reductionisme genoemd. Basis voor een reductionistische benadering in het onderzoek naar de
mechanismen van het trainingsproces is: de invloed van allerlei factoren op het trainingsproces
hebben, ligt min of meer vast in dergelijke natuurkundige en wiskundige principes en is daarom
constant. Grote factoren hebben veel invloed en kleine factoren weinig. Door de kleine factoren weg
te laten die weinig invloed hebben op het proces (de ruis), wordt de meting hanteerbaar. Vanuit die
meetresultaten worden vervolgens uitspraken gedaan over de onderliggende mechanismen die het
trainingsproces in werkelijkheid vormgeven.
De mechanismen die volgens de traditionele trainingsleer vastliggen aan de veranderingen
(adaptaties) als gevolg van training, zijn nog niet of nauwelijks door wetenschappelijke bewijsvoering
ondersteund. Allerlei fysiologische variabelen (parameters) kunnen worden gemeten, maar er kan
niet voorspeld worden wat er met die fysiologische parameters gebeurt als ze verstoord worden (de
training). Vandaar dat er weinig wetenschappelijke literatuur te vinden is over hoe adaptaties tot
stand komen.
De manier waarop training tot adaptatie leidt verschilt per individu en ook keer op keer binnen één
individu. Door geschiedenis van een individu bij te houden, kun je misschien ontdekken hoe
adaptaties optreden, maar het leidt zelden tot zekerheden over de effecten van de training.
Voorbeelden van periodiseringsmodellen:
- Model van Matwejew
- Model van Verchoshansky
- Model van Tschiene
- Model van Bompa
- Model van Issurin
- Etc.
Deze modellen geven soms zelf tot in detail aan wat de beste organisatie van de training is.
Bewijsvoering voor effectiviteit en de voorspellende waarde daarvan blijft in de praktijk nog erg
mager. Het is dus ook niet bewezen dat deze beter werken dan een periodisering met weinig of geen
variatie in de training. Trainen met variatie is dus beter dan trainen zonder variatie. Adaptaties als
gevolg van training is het meest kwetsbare aspect van trainingsleer. Het weglaten van de ruis (kleine
invloeden op het effect van de training) blijkt dus niet goed te werken.
Complexe biologische systemen
Het fundament van complexe biologische systemen is de dynamic patterns theorie. De term dynamic
systems duidt op de totale structuur van complexe systemen en de consequenties ervan voor hoe