Bouwmaterialen, jaar 1, p2, samenvatting
Leerdoelen:
de in de colleges behandelde bouwmaterialen en bouwproducten herkennen, benoemen en
kent de belangrijkste materiaaleigenschappen.
de verschillende fasen van de levenscyclus van vervaardiging, toepassing, onderhoud en
hergebruik van de bouwmaterialen benoemen en herkennen.
Les 1
Er zijn verschillende materiaaleigenschappen:
1. Mechanisch:
Sterkte (N/mm²) – Treksterkte, Buigsterkte, Druksterkte. Rek (dimensieloos), Elasticiteit &
vervormbaarheid. Mechanisch = hoe sterk is het gebouw? Newton/mm2
2. Thermisch: Soortelijke warmte (J/(kg*K)) Thermische geleidbaarheid, Thermische stabiliteit
(koude en hitte bestendigheid), Uitzettingscoëfficiënt.
Isolatiemateriaal, staal en metalen heeft goede thermische eigenschappen. Er moet ruimte
zijn om warm en koud te worden.
3. Chemisch:
Brandbaarheid, Chemische stabiliteit, Giftigheid, Stroomgeleidbaarheid, Vochtbestendigheid,
Zuurbestendigheid. Giftigheid steeds belangrijker. 2 niveaus: bij afbreken en bij bouw.
4. Fysisch:
Electrische weerstand, Soortelijke warmte, Thermische uitzetting, Soortelijke massa,
Warmtegeleidingsvermogen, Zelfontbrandingstemperatuur.
5. Akoestisch:
Isolerende werking. Welke akoestiek is belangrijk in het gebouw: contactgeluid, luchtgeluid,
galmen, massa soort.
6. Ecologie/biologie:
Bio comptabiliteit, biologische afbreekbaarheid, houdbaarheid, toxische eigenschappen.
7. Verloop van tijd:
Veroudering, vermoeiing, slijtage, rotting.
8. (An)isotropie:
Sterke in verschillende richtingen -->
Hout = anisotropisch.
Elke stap in een proces heeft invloed op milieu -->:
1 eindig of hernieuwbaar
2 energiebehoeften
3 manier en locatie
4 hoelang gaat het mee?
5 hergebruik
, Non ferro metalen = metaal waar ijzer geen hoogbestandsdeel is. Deze metalen corroderen minder
snel (= metalen worden aangetast door reactie met omgeving zoals regen of vocht), zijn luchtdicht en
elektrisch gelaadbaar. Bijv. aluminium, koper, titanium, zink.
Ferro metalen = ijzer en staal.
Bitumen = op basis van teer product.
Les 2
Lca = life cycle assesment.
Verschil in duurzaamheid: sustainable (is goed voor milieu) en durable (gaat lang mee).
R-ladder (zijn stappen die je altijd zou moeten nemen bij wat je
gebruikt):
1. Refuse & rethink (bijv. geen plastic tasje uit winkel
meenemen).
2. Reduce - minder verpakkingsmateriaal.
3. Reuse – spullen doorverkopen.
4. Repair, refurbish, repurpose (bijv. refurbished
telefoon). Zo veel mogelijk!
5. Recycling – van gebruikt karton weer nieuw papier
maken.
6. Recover – verbranding van materialen waarbij energie
en warmte wordt gewonnen. Zo min mogelijk!
Recycling waar nodig, rethink, refuse en reduse het best!
Consumptie:
lineair = eenmalig gebruik.
Recycle = down-cycle.
Circulair:
Circulair = hoogwaardig hergebruik.
Biobased = geen afval meer en gebruik van natuurlijke
materialen.
Door te kort aan fossielen brandstoffen moeten er oplossingen
worden bedacht. Er zijn methodes om milieueffecten van een
product gedurende zijn levenscyclus te beoordelen:
Cradle to cradle = alles is een grondstof voor iets anders (bijv.
biologische kringloop) en gebruiken van
hernieuwbare energie.
Cradle to grave = volledige levenscyclus van
product, maar wordt niet hergebruikt.