Oefenvragen WGVR OWE 1:
1. Overbelasting van mantelzorgers kan overgaan in…
Ontspoorde mantelzorg.
2. Wat wordt er bedoeld met ontspoorde mantelzorg?
Onbedoeld over de grenzen van de verzorgde heengaan.
3. Wat is respijtzorg?
Het tijdelijk of volledig overnemen van de zorg van de mantelzorg,
zodat deze even wat ‘lucht’ heeft.
4. Het verpleegkundig proces bestaat uit 6 stappen, welke?
Anamnese, diagnose, plannen van resultaten, plannen van interventies,
uitvoering en evaluatie.
5. Wat wordt er bedoeld met methodisch handelen?
Handelen volgens een vaste, doordachte manier om daarbij op zon
efficiënt en effectief mogelijke wijze het doel te bereiken dat men voor
ogen heeft of dat nagestreefd moet worden.
6. Wat wordt er bedoeld met klinisch redeneren?
Continu proces van kritisch denken, gegevensverzameling en analyse
gericht op de vragen en problemen van de individu en diens naasten. In
relatie tot ziekte en gezondheid om tot het beste besluit voor de zorg
van deze patiënt te komen.
7. Wat is vergrijzing?
Inwoners in NL worden steeds ouder en het aantal ouderen groeit.
8. Vergrijzing zorgt voor 2 dingen, welke?
Meer chronische aandoeningen en comorbiditeit.
9. Wat is comorbiditeit?
Meerdere aandoeningen bij 1 patiënt.
10. Wat is ontgroening?
Het aantal jongeren in de samenleving neemt af als gevolg van een
afname van het geboortecijfer.
11. Wat is individualisering?
Proces waarbij mensen steeds meer als individu dan als groep in de
samenleving komen te staan.
12. Wat houdt individualisering in voor de zorg?
Het vraagt steeds meer om persoonsgerichte zorg.
13. Wat is competentie?
Bekwaamheid, het vermogen om iets goed te doen.
14. Wat is ketenzorg?
Het bundelen van krachten van alle zorgverleners met als doel, de
kwaliteit van leven voor de patiënt verbeteren.
15. Wat zijn normen?
Concrete richtlijnen voor het handelen die worden opgesteld om
bepaalde waarden te bereiken.
16. Wat zijn waarden?
Waarden zijn idealen en motieven die in een samenleving of groep als
nastrevenswaardig worden beschouwd. Het zijn opvattingen over wat
wenselijk is.
17. Wat zijn de belangrijkste normen?
Wetten en ongeschreven regels.
18. Waar gaat een ethische discussie over?
Over achterliggende waarden.
19. Wat is beroepsethiek?
Bestaat uit de normen en waarden die leidend zijn in het dagelijks
handelen van een zorgverlener.
20. Wat is een ethisch dilemma?
, Situatie waarin meerdere waarden tegelijkertijd in het spel zijn die
tegengestelde acties voorschrijven.
21. Wat is zelfmanagement?
Eigen regie voeren en verantwoordelijk worden voor hun eigen
gezondheid.
22. Wat houdt zelfmanagement in eerste instantie in: Zo lang mogelijk voor
zichzelf zorgen en een beroep doen op eigen omgeving als er hulp nodig is. En
in tweede instantie: Dat wanneer er wel professionele hulp nodig is, ook hierin
een actieve rol te vervullen.
23. Wat is de gedachten achter het bevorderen van het zelfmanagement van
mensen?
Allereerst meer autonomie, dat de zorg beter aansluit bij de vraag en
dat het ook nog eens kosten bespaard.
24. Sommige zorgverleners hebben als visie bij zelfmanagement het optimaliseren
van de gezondheid, wat houdt dit in? Dan is het zelfmanagement vooral
gericht op het behalen van medisch gezien optimale resultaten. En wat houdt
het in als je in een bredere visie naar zelfmanagement kijkt. Dan is een goede
zelfmanager iemand die zijn ziekte in het dagelijks leven weet te integreren
met als doel de kwaliteit van leven te verhogen.
25. Wat is autonomie?
Het recht om zonder inmenging van anderen te beslissen over lichaam
en gezondheid op basis van je eigen normen en waarden.
26. Autonomie wordt ook wel het recht op … genoemd. Zelfbepaling.
27. Rechtvaardigheid gaat over: Gelijke behandeling van patiënten.
28. De wijze waarop mensen dingen doen, kun je globaal opdelen in twee typen:
Intuïtief en methodisch.
29. Wat is intuïtief werken?
Dan doet iemand wat hem als eerste te binnenschiet. Dit doet hij op
basis van gevoel.
30. Wat is methodisch werken?
Werken volgens een bewuste, systematische wijze.
31. Wat is het verpleegkundig proces?
Methodisch handelen binnen de verpleging.
32. Wat zijn de 11 gezondheidspatronen van Gordon?
Gezondheidsbeleving + instandhouding, Voeding/stofwisseling,
uitscheiding, activiteiten, slaap/rust, cognitie/waarneming, zelfbeleving,
rollen/relatie, seks/voortplanting, stressverwerking,
waarden/levensovertuiging.
33. Het ICF-model bestaat uit de gezondheidstoestand en 5 componenten, welke?
Functies en anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie,
persoonlijke factoren, externe factoren.
34. Wat zijn de 6 gezondheidsdimensies van Huber om het gezondheidswelzijn te
meten?
Lichaamsfuncties, mentale functies-beleving, dagelijks functioneren,
kwaliteit van leven, sociaal maatschappelijke participatie en spirituele
en existentiële dimensie.
35. Wat houdt de WLZ in?
Wet langdurige zorg.
36. Wanneer kom je in aanmerking voor de WLZ?
Als je wegens een aandoening/ziekte bent aangewezen op 24 uurs zorg
of toezicht.
37. Wat heb je nodig om voor de WLZ in aanmerking te komen?
Je hebt altijd een indicatie nodig.
38. Wie onderzoekt of je in aanmerking komt voor de WLZ?
CIZ Centrum indicatiestelling zorg. Die hebben een gesprekje en stellen
een zorgplan om vast te stellen of je in aanmerking komt voor de WLZ.
39. Waar staat de MGZ voor en wat is hun voornaamste doel?