Samenvatting “Sociale dynamiek van de gemeentelijke politiek”.
Inleiding
- Doe-democratie – waar de burgers zelfredzamer moeten worden, eigenkracht en sociale activering is belangrijk
- Goverment – regeren en besturen van bovenaf
- Governance – interactief sturen van onderaf
- Decentralisatie – transitie van de zorg
De samenleving gaat sinds kort van goverment naar governance.
DEEL 1: Context, achtergrond en trends
Hoofdstuk 1: Van verzorgingsstaat naar participatiestad
1.1 Ontstaan en grondslagen
1870 industrialisering neemt toe, veel mensen verhuizen naar de stad voor werk sociale kwestie is ontstaan
Arbeiders en kinderen werkten in slechte omstandigheden in fabrieken, woonomstandigheden waren ook verschrikkelijk, veel
armoede en geen uitkeringen etc. daarna armenzorg wettelijk geregeld
1874 Het Kinderwetje van Van Houten – eerste sociale wet welke kinderarbeid stopzette
1900 uitbouw van sociale wetgeving voorbereiding op de verzorgingsstaat
Na 1945 sociale rechten voor iedereen, betaald uit collectieve belastinginkomsten
- Welvaartstaat – deze benaming werd in Nederland gebruikt tot midden 20e eeuw.
- Sociaal beleid/ welzijnsbeleid
o 1e invalshoek: beheersen van twee belangrijke sociale problemen. Enerzijds achterstand en ongelijke sociale
posities, anderzijds afwijkend (deviant) gedrag, zoals alcohol- en drugsverslaving, mishandeling etc.
o 2e invalshoek: richt zich op het versterken van de lokale gemeenschap door bv. informele netwerken tussen
mensen en bevorderen van vrijwillige verbanden.
1.2 Verzorgingsstaat
- Verzorgingsstaat – democratische maatschappijvorm dat zich garant stelt voor het collectieve sociale welzijn.
Dankzij de economische groeispurt expandeerde de verzorgingsstaat op drie terreinen:
1. Risicodekking: ziekte, werkloosheid etc.
2. Gerechtigden (ontvangers): premie- en niet- premiebetalers, ouderen en kinderen (bv. kinderbijslag)
3. Overheids- en publieke sectoren: onderwijs, welzijn, cultuur etc.
Kritiek op de verzorgingsstaat hing nauw samen met de verschillende ideeën en maatschappijvisies
- Liberale maatschappijvisie – bv. VVD, individuele vrijheid staat voorop
- Sociaaldemocratische maatschappijvisie – bv. PvdA, gemeenschap belangrijker dan het individu
- Christendemocratische maatschappijvisie – bv. CDA, geloof als inspiratiebron en naastenliefde (solidariteit) belangrijk
In alle drie kwam deels deze kritiek naar voren:
1. Toenemende overheidsbemoeienis en bureaucratie, mensen worden afhankelijk.
2. De ‘vruchten’ van de verzorgingsstaat komen deels niet terecht bij de mensen voor wie het bestemd is.
- Mattheüs-effect – wie heeft, ontvangt
3. De betaalbaarheid van de samenleving wordt op proef gesteld (bv. toenemende vergrijzing).
1.3 Het neoliberalisme in Nederland
- Neoliberalisme – deregulering (terugdringen van bureaucratie (minder regels)), bezuinigingen op sociale uitgaven, vrije
markt versterken, terugtrekkende overheid
De politieke opvattingen over de toekomstbestendigheid en het geloof in de maakbaarheid en houdbaarheid van de
verzorgingsstaat begonnen vanaf 1970 langzaam te wankelen.
- Derde weg- denken – het zoeken naar evenwicht tussen de liberale markteconomie en de verzorgingsstaat
Liberale VVD en de sociaaldemocratische PvdA vormden samen met het pragmatische D66 voor het eerst een regering
1
, 1.4 Omslag en sanering
De politieke toon was sinds de jaren zeventig veranderd. Financiële bezuinigingen en minder overheid – meer markt discussies
kregen de boventoon in de discussies over de verzorgingsstaat. Het ‘oude’ denken was gericht op verzorging en verzekeren, het
‘nieuwe’ denken richtte zich op verheffen en verbinden participatiesamenleving waarin zelfinitiatief en eigen kracht worden
gestimuleerd.
- Verzorgingsmodel – de ‘kwetsbare’ burgers zijn slachtoffer van de omstandigheden die de persoon nauwelijks zelf kan
beïnvloeden.
- Participatiemodel – nadruk op eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en ondersteuning.
De functies van de verzorgingsstaat: verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden.
1.5 Naar een verzorgings- en participatiestad
Sinds 2015 mogen de lokale overheden binnen vastgelegde wettelijke kaders grotendeels zelf bepalen wat de gemeenten
moeten doen binnen het sociale domein.
- Decentralisatie – de overdracht van taken en verantwoordelijkheden
Het idee van de verschuiving van de taken naar de gemeente is dat de gemeenschapszin dicht bij de burgers in de wijken valt te
organiseren. De gemeenten kunnen dit in samenwerking met sociale professionals effectiever doen.
Hoofdstuk 2: Decentralisatie en verzakelijking
2.1 Centraal, decentraal – meer of minder overheid?
Er vinden in de Nederlandse samenleving vanaf ong. 1870 een vijftal maatschappelijke verschuivingen en ontwikkelingen plaats:
1. Homogene heterogene bevolkingsmensteling. Grotere diversiteit.
2. Levensovertuiging verandert. Eerst veel christendom, daarna steeds meer geloven.
3. Groepsgewijze individuele levenswijze. Eerst groepen mensen sterk verbonden – zuilen daarna individualistischer
4. Onderscheid tussen kerk en staat en de scheiding tussen geloof (irrationeel) en wetenschap (rationeel). Ontstaan
conflicten over normen en waarden.
5. Gewijzigde wereldoriëntatie. Door technologisering, mondialisering en globalisering staatsburgers meer
wereldburgers.
Er is sprake van een kloof tussen burger en overheid, om dit te repareren werd er vanaf de jaren 70 meer ingezet op een verdere
democratisering van de besluitvorming door burgers meer inspraak en medezeggenschap te geven. Van centraal (Rijksoverheid)
naar meer decentraal bestuur (provincies en gemeenten).
In 1977 werd de Kaderwet Specifiek Welzijn bij het parament ingediend. Drie kernpunten traden naar voren:
1. Welzijnsbeeld is gericht op de hele bevolking.
2. Welzijnsvoorzieningen komen tot stand op grond van welzijnsplannen (inspraak van burgers is een voorwaarde)
3. Interne democratisering vna de uitvoerende welzijnsorganisaties en -instellingen.
De voorgestelde decentralisatie riep – vooral bij christelijke partijen – het nodige verzet en emoties op, omdat de macht van de
lokale overheid werd vergroot ten koste van het particuliere (kerkelijke) initiatief en het maatschappelijk middenveld. Deze wet
werd ingetrokken en er vond een versnelde decentralisatie plaats via een aparte Welzijnswet.
In 1990 is een project opgestart – ‘de sociale vernieuwing’ – hier mochten een aantal gemeenten aan meedoen. De
doelstellingen waren in het kort:
1. Bestrijden van langdurige werkloosheid en sociale marginalisering
2. Bevorderen van de leefbaarheid van wijken
3. Verbeteren van de kwaliteit van zorginstellingen
- Herziende Welzijnswet – 1994, nadruk op de samenwerking (complementair bestuur) tussen Rijk en lagere overheden.
In 2007 omgebracht tot Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
2.3 Verzakelijking van het welzijnszorgwerk
- Verzakelijking – de nieuwe werkwijze. Bedrijfsmatige aanpak door decentralisatie. De organisatie en uitvoering door de
overheid en de sociale sector zijn zakelijker geworden – resultaatgericht en effectief ondernemen. Ontleend aan het
New Public Management (NPM)
Ondoelmatigheid, bureaucratie (te veel regels en hiërarchie) en gebrek aan inzicht in behaalde doelstellingen zijn in het NPM
ongepast. Resultaten (output) en effecten (outcome) van inspanningen moeten meetbaar zijn.
2