Basiskennis taalonderwijs begrippen
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 2 – Taalonderwijs en taal ............................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3 – Mondelinge taalvaardigheid ..................................................................................................... 4
Hoofdstuk 4 – Woordenschat .......................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 5 – Beginnende geletterdheid ........................................................................................................ 8
Hoofdstuk 6 – Voortgezet technisch lezen ....................................................................................................... 9
Hoofdstuk 7 – Begrijpend lezen..................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 8 – Stellen .................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 9 – Jeugdliteratuur ....................................................................................................................... 13
Hoofdstuk 10 – Taalbeschouwing .................................................................................................................. 14
Hoofdstuk 11 – Spelling ................................................................................................................................ 16
Uit de bijeenkomsten en voorbereiding ........................................................................................................ 17
Hoge- en lage ordevragen ................................................................................................................................ 17
Interactief taalonderwijs .................................................................................................................................. 17
Woordenschatonderwijs, De viertakt van Verhallen ........................................................................................ 17
Welke teksten kies je? ...................................................................................................................................... 18
Criteria voor rijke teksten ................................................................................................................................. 18
Manieren begrijpend lezen toepassen.............................................................................................................. 18
Feedback geven ................................................................................................................................................ 18
Denkstrategieën ............................................................................................................................................... 18
Actief lezen door toepassen van leesstrategieën ........................................................................................ 18
Herstelstrategieën ....................................................................................................................................... 19
Woordenschatuitbreiding bij onderzoekend vermogen ................................................................................... 19
,Hoofdstuk 2 – Taalonderwijs en taal
• Ontluikende geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid in de voorschoolse
periode van 0 tot 4 jaar;
• Beginnende geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid in de groepen en tot en
met 3 van de basisschool;
• Gevorderde geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid na groep 3;
• Aanvankelijk lezen: De fase in het leesonderwijs waarin de kinderen de letters aanleren
en eenvoudige woorden hardop kunnen lezen. Voor de meeste kinderen speelt het
aanvankelijk lezen zich af in groep 3;
• Voortgezet technisch lezen: De fase in leesonderwijs waarin gewerkt wordt aan het
vergroten van de vaardigheid in het decoderen van teksten. Het gaat om het vlot en
nauwkeurig kunnen lezen van een tekst en niet om het begrijpen;
• Begrijpend lezen: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het begrijpen van de
tekst en het achterhalen van de bedoeling
• Taalbeschouwing: Domein van het taalonderwijs waarbij het gaat om kinderen leren te
reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is verwoord en het gebruik van taal.
Kinderen moeten leren in de vorm van de taal bijzonderheden en regelmaat ontdekken;
• Spelling: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het correct kunnen schrijven
van woorden en het toepassen van de belangrijkste spellingsregels;
• Woordenschat: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het aanleren van de
betekenis van nieuwe woorden, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden. Ook
worden er strategieën aangeleerd om achter de betekenis van onbekende woorden te
komen.
• Stellen: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het schrijven van verschillende
soorten teksten
• Communicatieve functie/sociale functie: De functie van taal waarbij het gaat om het
gebruik van de taal als communicatiemiddel. Er zijn 4 communicatieve of sociale
functies:
o Zelfhandhaving: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker
zichzelf beschermt en verdedigt;
o Zelfsturing: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker met
woorden zijn handelen ordent of plannen aankondigt.
o Sturing van anderen: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de taal
gebruikt wordt om het gedrag van anderen te beïnvloeden
o Structurering van het gesprek: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij
de taal gebruikt wordt om het gespreksverloop te beïnvloeden.
• Conceptualiserende functie = Cognitieve taalfunctie: Een functie van de taal waarbij het
gaat om het gebruik van de taal als een hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep
te krijgen op de werkelijkheid. Er zijn cognitieve taalfuncties:
o Eenvoudige taalfuncties
§ Rapporteren: de spreker doet verslag van iets wat in de werkelijkheid
voorkomt;
• Benoemen = voorwerp of persoon de juiste naam geven
• Beschrijven = voorwerp of persoon beschrijven
, • Vergelijken = 2 of meer voorwerpen of personen vergelijken
o Complexe taalfuncties
§ Redeneren (complexe taalfunctie): de spreker bewerkt het weergeven van
een gebeurtenis door een extra denkstap in te bouwen;
• Chronologisch ordenen
• Concluderen
• Middel en doel aangeven
• Oorzaak en gevolg aangeven
• Probleem oplossen
§ Reflecteren (kinderen over hun eigen denkproces gaan nadenken en
benoemen)
§ Projecteren (taal gebruiken om zich in te leven in de ander)
§ Fantaseren (fantasie onder woorden brengen)
• Expressieve functie: mensen gebruiken taal ook om gevoel uiten of om iets te zeggen
dat anderen nog niet eerder zo gezegd hebben. Een expressiemiddel.
• Communicatieve competentie: De vaardigheid van een taalgebruiker om in alle
communicatieve situaties adequaat te communiceren. Deelcompetenties zijn:
o Grammaticale competentie: De kennis van de taal en taalregels die nodig zijn om
te kunnen communiceren;
o Tekstuele competentie: Het vermogen om de kennis van gesproken en geschreven
teksten te gebruiken in verschillende communicatieve situaties
o Strategische competentie: Het vermogen van de taalgebruiker om strategieën te
hanteren om zo bepaalde doelen te bereiken
o Functionele competentie: Het vermogen van de taalgebruiker om zijn taalgebruik
aan te passen aan een specifieke situatie
• Niveaus van taal:
o Fonologie = klankleer, uitspraak
§ In veel talen /m/, /s/ en /oe/
§ Typisch nederlandse klanken: /ou/, /g/ en /eu/
§ Tot +/- 6 jaar: veel fonologische fouten: /weps/
§ 1 klank, 2 letters: /oe/
o Morfologie = woordvorming, opbouw van woorden
§ Werkwoorden: loop – loopt – gelopen – liep
§ Andere woorden: aardig – aardige – onaardig
§ Verkleinwoorden
§ Samenstellingen
§ Tot +/- 9 jaar: morfologische fouten
o Syntaxis = zinsbouw, volgorde van woorden
§ Hoofdzinnen/inversie en bijzinnen
§ Tot +/- 9 jaar: veel moeite met zinsopbouw
o Semantiek = betekenis
§ Woorden
• Vaktaalwoorden, schooltaalwoorden, signaalwoorden, synoniemen,
homoniemen
§ Uitdrukkingen en gezegdes
§ Hele leven lang verwerving
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 2 – Taalonderwijs en taal ............................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3 – Mondelinge taalvaardigheid ..................................................................................................... 4
Hoofdstuk 4 – Woordenschat .......................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 5 – Beginnende geletterdheid ........................................................................................................ 8
Hoofdstuk 6 – Voortgezet technisch lezen ....................................................................................................... 9
Hoofdstuk 7 – Begrijpend lezen..................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 8 – Stellen .................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 9 – Jeugdliteratuur ....................................................................................................................... 13
Hoofdstuk 10 – Taalbeschouwing .................................................................................................................. 14
Hoofdstuk 11 – Spelling ................................................................................................................................ 16
Uit de bijeenkomsten en voorbereiding ........................................................................................................ 17
Hoge- en lage ordevragen ................................................................................................................................ 17
Interactief taalonderwijs .................................................................................................................................. 17
Woordenschatonderwijs, De viertakt van Verhallen ........................................................................................ 17
Welke teksten kies je? ...................................................................................................................................... 18
Criteria voor rijke teksten ................................................................................................................................. 18
Manieren begrijpend lezen toepassen.............................................................................................................. 18
Feedback geven ................................................................................................................................................ 18
Denkstrategieën ............................................................................................................................................... 18
Actief lezen door toepassen van leesstrategieën ........................................................................................ 18
Herstelstrategieën ....................................................................................................................................... 19
Woordenschatuitbreiding bij onderzoekend vermogen ................................................................................... 19
,Hoofdstuk 2 – Taalonderwijs en taal
• Ontluikende geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid in de voorschoolse
periode van 0 tot 4 jaar;
• Beginnende geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid in de groepen en tot en
met 3 van de basisschool;
• Gevorderde geletterdheid: De ontwikkeling van de geletterdheid na groep 3;
• Aanvankelijk lezen: De fase in het leesonderwijs waarin de kinderen de letters aanleren
en eenvoudige woorden hardop kunnen lezen. Voor de meeste kinderen speelt het
aanvankelijk lezen zich af in groep 3;
• Voortgezet technisch lezen: De fase in leesonderwijs waarin gewerkt wordt aan het
vergroten van de vaardigheid in het decoderen van teksten. Het gaat om het vlot en
nauwkeurig kunnen lezen van een tekst en niet om het begrijpen;
• Begrijpend lezen: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het begrijpen van de
tekst en het achterhalen van de bedoeling
• Taalbeschouwing: Domein van het taalonderwijs waarbij het gaat om kinderen leren te
reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is verwoord en het gebruik van taal.
Kinderen moeten leren in de vorm van de taal bijzonderheden en regelmaat ontdekken;
• Spelling: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het correct kunnen schrijven
van woorden en het toepassen van de belangrijkste spellingsregels;
• Woordenschat: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het aanleren van de
betekenis van nieuwe woorden, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden. Ook
worden er strategieën aangeleerd om achter de betekenis van onbekende woorden te
komen.
• Stellen: Domein van taalonderwijs waarbij het gaat om het schrijven van verschillende
soorten teksten
• Communicatieve functie/sociale functie: De functie van taal waarbij het gaat om het
gebruik van de taal als communicatiemiddel. Er zijn 4 communicatieve of sociale
functies:
o Zelfhandhaving: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker
zichzelf beschermt en verdedigt;
o Zelfsturing: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker met
woorden zijn handelen ordent of plannen aankondigt.
o Sturing van anderen: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de taal
gebruikt wordt om het gedrag van anderen te beïnvloeden
o Structurering van het gesprek: Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij
de taal gebruikt wordt om het gespreksverloop te beïnvloeden.
• Conceptualiserende functie = Cognitieve taalfunctie: Een functie van de taal waarbij het
gaat om het gebruik van de taal als een hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep
te krijgen op de werkelijkheid. Er zijn cognitieve taalfuncties:
o Eenvoudige taalfuncties
§ Rapporteren: de spreker doet verslag van iets wat in de werkelijkheid
voorkomt;
• Benoemen = voorwerp of persoon de juiste naam geven
• Beschrijven = voorwerp of persoon beschrijven
, • Vergelijken = 2 of meer voorwerpen of personen vergelijken
o Complexe taalfuncties
§ Redeneren (complexe taalfunctie): de spreker bewerkt het weergeven van
een gebeurtenis door een extra denkstap in te bouwen;
• Chronologisch ordenen
• Concluderen
• Middel en doel aangeven
• Oorzaak en gevolg aangeven
• Probleem oplossen
§ Reflecteren (kinderen over hun eigen denkproces gaan nadenken en
benoemen)
§ Projecteren (taal gebruiken om zich in te leven in de ander)
§ Fantaseren (fantasie onder woorden brengen)
• Expressieve functie: mensen gebruiken taal ook om gevoel uiten of om iets te zeggen
dat anderen nog niet eerder zo gezegd hebben. Een expressiemiddel.
• Communicatieve competentie: De vaardigheid van een taalgebruiker om in alle
communicatieve situaties adequaat te communiceren. Deelcompetenties zijn:
o Grammaticale competentie: De kennis van de taal en taalregels die nodig zijn om
te kunnen communiceren;
o Tekstuele competentie: Het vermogen om de kennis van gesproken en geschreven
teksten te gebruiken in verschillende communicatieve situaties
o Strategische competentie: Het vermogen van de taalgebruiker om strategieën te
hanteren om zo bepaalde doelen te bereiken
o Functionele competentie: Het vermogen van de taalgebruiker om zijn taalgebruik
aan te passen aan een specifieke situatie
• Niveaus van taal:
o Fonologie = klankleer, uitspraak
§ In veel talen /m/, /s/ en /oe/
§ Typisch nederlandse klanken: /ou/, /g/ en /eu/
§ Tot +/- 6 jaar: veel fonologische fouten: /weps/
§ 1 klank, 2 letters: /oe/
o Morfologie = woordvorming, opbouw van woorden
§ Werkwoorden: loop – loopt – gelopen – liep
§ Andere woorden: aardig – aardige – onaardig
§ Verkleinwoorden
§ Samenstellingen
§ Tot +/- 9 jaar: morfologische fouten
o Syntaxis = zinsbouw, volgorde van woorden
§ Hoofdzinnen/inversie en bijzinnen
§ Tot +/- 9 jaar: veel moeite met zinsopbouw
o Semantiek = betekenis
§ Woorden
• Vaktaalwoorden, schooltaalwoorden, signaalwoorden, synoniemen,
homoniemen
§ Uitdrukkingen en gezegdes
§ Hele leven lang verwerving