1
Bernadette houdt van trendy kleding. Ze vindt mooie kleding belangrijk en het is belangrijk voor
haar om er goed uit te zien. Bovendien wil ze graag haar vriendinnen laten zien hoe modieus ze
wel niet is. Van wat voor waarde is er sprake als ze indruk wil maken op haar vriendinnen?
A. maatschappelijke waarden
B. expressieve waarden
C. instrumentele waarden
D. impressieve waarden
2
Stelling I:
Waarden en smaak bepalen de voorkeuren van de consument.
Stelling II:
De smaak en de waarden zijn stabiele voorkeuren van de consument.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Jan is manager bij een groot bedrijf. Voor hem is het belangrijk dat zijn personeel hem serieus
neemt. Om deze reden komt hij altijd netjes voor de dag en draagt hij altijd een pak. Van welk type
waarden is hier sprake?
A. maatschappelijke waarden
B. expressieve waarden
C. instrumentele waarden
D. impressieve waarden
4
Stelling I:
Met psychografisch onderzoek worden levensstijlvariabelen gemeten.
Stelling II:
Met psychografisch onderzoek worden demografische variabelen gemeten.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
5
Edwin Jan is een succesvolle bankier in Amsterdam-Zuid: maatpakken, veel zakenreizen en een
sportieve auto. Maar in het weekend pakt Edwin Jan zijn verrekijker en gaat hij het bos in om
vogels te spotten. Wat is waar?
A. Edwin Jan is een momentconsument.
B. Edwin Jan is een ideaaltype.
C. Edwin Jan is een stabiele consument.
D. Edwin Jan doet aan laddering.